Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
verdwaalden reiziger weder op den rechten weg gebracht. Het
lijk van den ongelukkigen drenkeling is nog niet gevonden.
Een goede vriend is meer waard 12) dan honderd bloedver-
wanten.
1) meiüaufig. 2) mufete. 3) al§. 4) umljetirten. 5) ^iilt. 6) ein Unter=
gebencr. 7) trat ... an. 8) begleitete i^n. 9) Cuelle vr. 10) SRfiein m.
11) eftlingen. 12) «ert.
De trappen van vergelijking, ilie Steigenimj.
§
Evenals bij ons vormt men in het Duitsch den vergrootenden
trap (ben fiontparati») door cr of r, en den overtreffenden trap
(ben Superlatiu) door ft achter het adjectief te voegen. Vergelijk:
dik, dikker, dikst bid, birfer, bidft;
roerend, roerender, roerendst tü^renb, rüljrenbcr, rül)renbft.
Het Duitsch wijkt evenwel in de volgende drie gevallen van
't Nederlandsch af:
1) In den superlatief lascht men , om de uitspraak mogelijk
te maken, voor ft eene ein, zoodra het adjectief op een' sisklank
of op Ö of t uitgaat; b. v. de trotschte (meest trotsche) vorst
ber ftoljefte Surft; het frischte water baê frift^efte SBaffer; de heet-
ste zomerdagen bie beigeften Sominertage; het bontste, zwartste
kleed boë buntcfte, fc^marscfte ,(Heib ; de ellendigste schoft ber etenbefte
2(^uft; de bemindste vriend ber geliebtcfte greunb.
Opmerk. Meerlettergrepige adjectieven op b, Ötoft, wier laatste
lettergreep den klemtoon wèeJ heeft, nemen deze c niet aan,
b. V. gebilbet beschaafd: ber gebilbetfte 3)lonn; glönjenb schitte-
rend: bo§ gliinjenbfte Seft.
2) De adjectieven op -el, -cn, -cr verliezen in den comparatief
de e van dezen uitgang, b. v. 6r ift ebel, er ift ebler a(§ fein ®ruber,
ein eblerer 93tonn lebt nic^t ouf (ïrben; biefeS ©etronf ift bitter, e§ ift
bittrer olê jeneS, ein bittrere§ ®etrnnt l)abe ic^ nie getrunfen; biefer ®e=
leljrte ift troctcn, einen trodneren Wenfc^en fenne ii) nic^t. (Vgl. Opm. bl. 32).
3) Volgende adjectieven krijgen in den comparatief en su-
perlatief den Umlout:
Slrg, jung, tronf unb alt,
fiong, furj, fditoarj unb tolt.