Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
äo^lIoS talloos, erftaunlic^ verbazend, rein zuiver, rein,
gonj geheel, gansch, djriftlid; christelijk, geliebt geliefd, bemind,
Ijafb half, leer ledig, leeg, tot dood.
Stille waters hebben diepe gronden 1). Vlijtige leerlingen
maken 2) vlijtige onderwijzers. Jonge speler, oude bedelaar.
De olifant is niet slechts 3) het grootste, maar 4) ook het
sterkste onder alle viervoetige dieren (Dat.). Hij is gezelhg en
vriendelijk jegens (mit) zijnsgelijken5)en gebruikte) zijne ver-
bazende krachten alleen 7) tot zijne eigene verdediging 8). De
muis is het kleinste onder de viervoetige dieren; zij is, even-
als 9) de haas een zeer vreesachtig schepsel 10). Ons klein, be-
koorlijk dorpje is door (uon) een geheel woud van vruchtbare
boomen (Gen.) omgeven 11), op wier 12) tallooze takken allerlei
lustige vogelen nestelen 13). Zuiver water is een gezonde
drank. Een goede naam 14) is beter 15) dan baar 16) geld.
Vossen en katten zijn listige dieren ; de kat heeft bovendien 17)
een verbazend geduld.
5.
Een (0.) gebruikte sleutel is altoos blank. Een zeker 18)
knaapje was wegens zijne wijze antwoorden (Gen.) wijd en
zyd 19) beroemd. In gindsche 20) breede straat (Dat.) ziet men 21)
soms 22) in een geheel uur (Dat.) geene levende ziel 23). Deze
enge straat evenwel 24) is een der drukste straten uit de ge-
heele stad. Een zacht gezang klonk 25) uit Tiet (o.) verre
woud. Na een (o.) voorafgaand 26) examen 27) is mijn oudste
broer in eene hoogere 28) klasse 29) gekomen 30). Met een (o.)
glimlachend 31) oog zag de goedhartige man het spel (Dat.)
der vroolijke knapen aan (ju). Aan arme ongeliakkige men-
schen geeft ieder goed man graag 32) eene aalmoes. Onze
oude tuinman is voor 33) eenige dagen (Dat.) in alle stilte 34)
(Dat.) vertrokken 35). Onder aanvoering 36) van den vromen
hertog Gottfried van Bouillon en van vele andere beroemde
vorsten trokken 37) de christelijke ridders naar het heilige
land. Beter een half ei dan eene leege dop 38).
1) föritnb m. 2) macf)en. 3) nur. 4) jonbern. 5) Icineëgtetc^en. 6) gc=
bruutst. 7) b(o6. 8) Sßerteibigung vr. 9) ebenjo wie. 10) ©efdjöpf onz.
11) umgeben. 12) beren. 13) niften. 14) Sïome m. 1-5) beffer. 16) bar.
17) au^erbcm. 18) gemife. 19) weit unb breit. 20) jener, jene, jeneê.
21) jiet;t man. 22) biämetlen. 23) Seele vr. 24) ober (of) jeboc^. 25) cr=
tönte. 26) »or-^ergegangen. 27) «Prüfung vr. 28) ^öfjere. 29) Staffe.
30) aufgerüdt. 31) läc^elnb. 32) gern. 33) öor. 34) Stille vr. 35) oerreift.
36) ?tnfüt)tung. 37) jogen. 38) Schale vr.