Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
de 6) kleur bedekt. De hond heeft een scherp gehoor 7) en
een' nog scherperen reuk. Het paard heeft een slank lichaam,
een' langwerpigen kop, een' gebogen 8) hals met statige ma-
nen 9), groote oogen, spitse ooren, slanke pooten 10) met on-
gespleten 11) hoeven en een' langharigen 12) staart. Praatzieke
menschen (Dat.) zijn 13) niet altijd te vertrouwen 14). De koe
is een zeer nuttig huisdier. Zij heeft twee uitgebogen 15)
horens, een breed voorhoofd en een breeden bek ; zü heeft een
plomp lichaam en korte pooten. Beter kleine heer dan groote 16)
knecht.
1) Süflc vr. 2) guß. 3) Umgang m. 4) »cvicffcrt. -) Sitte vr. 6) ucr|d^tcbcn.
7) èe^Dv onz. 8) gebogen. 9) ''J)}iif)ne vr. enk. 10; S3cin onz. 11) un=
gejpalten. 12) langl)aarig. 13) ift. 14)'trauen. 15) auSgebogen. 16) alä.
3.
Plaats een passend adjectief voor ieder der volgende sub-
stantieven :
(ïin — (Stocf. (Suer — |iau«. Der — 'ißalaft beg — Königs,
trinfc — SSein. ^abe brei — §unbe gcfauft. .Kü^e
{)aben — ©timen. ®iefer Sricf ^at einen — 3nbo(t. ®ie 9Id)tnng
— SDÏenf^en ift öiet roert. ®Jit — .^erjen na^m it^ Ibfc^ieb. ®er
§örner — Ktang brang in mein D^r. — SKenf^en gibt man ein
?llmofen. ©törti^e ^aben — Seine unb einen — ©^nabel. Sor
unferm — §anSlein fte^t ein — Saum mit — Siättern. Unfer
— greunb tann biefen — ©tein ^eben 1); er ift ein — Süngting,
^einric^S — §unb ift über biefen — (Sraben gefprungen. SlBilf)etm8
— ©ö^nd)en ^ei§t Äart; er ift ein — ^^nabe. — Kinbern ift man
^otb 2). Wit — CoffniJng fet)e ber ^utunft entgegen 3). (Sr
n)ufd^ 4) fid^ mit — SBaffer. ®eS ^ïönigS — ^atoft ift oerbvannt.
®eS Königs — ^ataft ^aben mir bewunbert. Der — ^Irjt ^at baS
?eben ber — grau gerettet. §afen finb — Siere.
4.
Vertaal:
fruchtbar vruchtbaar, eigen eigen, ft^tau sluw,
gefunb gezond, glücftid^ gelukkig, lebhaft druk, woelig,
weife wijs, ungtücïli^ongelukkig, lebénbtg levend, leven-
bumm dom, tiftig listig, dig,
I) lillcii, opbenren. 2) loeßeiiegeti. 3) tegemoet, 4) wiescli.