Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
houden; soms komt zij ook nog in 't Nederlandsch voor.
Vgl. gutes 9)Juteä en goedsmoeds.
Regel. Wanneer het adjectief zelf de uitgangen moet aan-
nemen, ter aanduiding van geslacht, getal en naamval, dan
wordt het sterk verbogen; — overal waar het lidwoord of het
®eftiiummort die uitgangen krijgt, staat het adjectief in den
zwakken vorm. Wanneer de sterke en de zwakke vormen elkander
afwisselen, dan wordt de verbuiging de gemengde, bie gemifi^tc,
genoemd; deze afwisseling heeft plaats, wanneer het hdwoord
ein of een der Seftinimnjörter mein, b e t n, fein etc. voor het
adjectief staat (bl. 33).
Opmerk. Staan twee of meer adjectieven voor een subst., dan
worden alle op dezelfde wijze verbogen: is het eerste sterk
dan zijn de volgende het ook ; is het eerste zwak, dan
worden ook de volgende zwak verbogen; b. v. (Sin armer,
alter, frommer 3JJonn ; eine§ armen, alten, frommen ®anne0, tc. —
■ilrmc, alte, fromme fflïflnner ; bicfe ormen, alten, frommen DJÏanner zc.
Oefeningen.
Verbuig: flareS äßaffer, fette SBurft, roljei Steifd^, unfer ftarter
greunb, mein roörmfteê ßleib, jener bide ®aunt, euer fd^bneê ©cfc^enf;
feine neue, golbene llt)r; unfer guter, reidier Cnïel; frtfdjeä, retfe§ Cbft.
2.
Vertaal:
löngltc^ langwerpig, fure^tfam vreesachtig, 3d) reife
fpi§ spits, ftaülic^ statig, deftig, bu reifcft, er reift
runb rond, nütjlid^ nuttig, mir reifen, i^r reift
fc^lant slank, ft^muljig vuil, fie reifen. -
plump plomp, lomp, faut lui, reifte
leife zacht (van ge- blanf blank, ' bu reifteft
luiden), fern ver, er reifte
gefetlig gezellig, ï)ciltg heilig, mir reiften
freunblic^ vriendelijk, gefc^mftljig praatziek, i^r reiftet
fi^lec^t slecht, eng eng, nauw, fie reiften,
ftill stil, artig lief, zoet. 3d) tjabe gereift.
furd)tbar vreeselijk.
De tijd is de beste geneesheer. Honger is een scherp zwaard.
Leugens 1) hebben korte beenen 2). G-etrouwe heer, getrouwe
knecht. Goede omgang 3) verbetert 4) slechte zeden 5). Het
lichaam der meeste honden is met haren van (uon) verschillen-