Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
jung, iünger, jüngft;
olt, älier, älteft;
lang, länger, längft;
fürs, türäer, ïilrjeft;
mann, »ärmer, märntft;
falt, fätter, täüeft;
f^arf, ie^ftrfer, fc^ärfft;
ftarf, ftärter, ftärtft;
nafe, nöffer, näffeft ;
groi größer, grö§t;
^ö^er, "^öcfift.
Vertaal:
grün groen,
»eiß wit,
gelb geel,
braun bruin,
trumm krom,
gerabe recht,
munter, luftig, ftoi) blij,
(lustig, vrooiyk,
ferner zwaar,
leicht licht, gemakke-
lijk,
traurig treurig,
1.
rcijenö bekoorlijk,
breit breed,
rcid) rijk,
fre^ brutaal,
fremb vreemd,
golbcn gouden,
ftlbern zilveren,
eijern ijzeren,
ftcineru steenen,
^öljern houten,
bletern looden,
gisjern glazen.
De meeste 1) stemmen 2) gelden 3). Deugd 4) is de beste
adel 5). De schoone dochter van mijn' edelen buurman, den redder
onzer goede stad, heeft eene blpe (frolj) tijding 6) ontvangen 7).
Menig dapper soldaat is in dien zwaren strijd (Dat.) gevallen.
Onze dappere generaal 8) heeft den sterken vijand overwonnen 9).
Dit leelijke knaapje kan nog licht een schoon man worden 10).
Ons jongste broertje droeg 11) een' zwarten hoed met een'
breeden rand op zijne bruine lokken 12) (Dat.). De geiten heb-
ben een' leeiyken baard. Deze oude stad heeft nog eene breede
poort; ook deze breede poort zal 13) afgebroken 14) worden 13).
Onze welmeenende burgemeester zal 15) uwen bescheiden 16)
wensch vervullen 15). Vele bescheiden wenschen worden 17)
niet vervuld. Wij hebben vele warme dagen en vele koude
nachten. Menig trouwe hond is de redder van het leven zijns
goeden meesters geweest. Die vroolijke (luftig) knapen zingen 18)
de schoone liederen van Heije, onzen volksdichter.
2.
Hij droeg een geel vest, eene groene jas en eene roode
broek 1) ; hij zag er (o.) bekoorlijk uit! De leelijke brug, die
over deze breede sloot (Acc.) voert 2), is geel geverfd. De _
brutale dief heeft mijn gouden horloge, de gouden ringen van
mijne oudste zuster en onze zilveren lepels en vorken mede-
genomen. Een vreemde koopman 3) wil ons klein huisje met
den grooten tuin koopen. Deze lange stok is krom, de andere
stok is recht; een kromme stok bevalt mij 4) niet. Ik geef
aan deze glazen inktkokers 5) de voorkeur boven zulke looden
inktkokers. Die witte kousen zijn nog niet droog, ik trek 6)