Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
6 i n 3 a ^ (:
9)iiinnHcf|: 2Bei61i(^:
'Ji. TOctn treuer ^unb/ trouwe Xeine rote Stume, roode
meineê treuen §unbeS, trouwen beiner roten ®lume, roode
meinem treuen §unbc, trouwen beiner roten SÖIume, roode
VI. meinen treuen §unb, trouwen beine rote ®Iunte, roode
Snd^Itcb :
Unfer fi^öneö ^Pferb, schoon
unfre§ frönen ïpferbe§, schoonen
unfrem fc^önen ijBfctbe, (schoonen)
unfer fctjöneë ^ferb, schoon.
9)J e () r 5 a t) (:
51. ÏKeine, feine, unfre, eure treuen, fc^önen Öunbe te. schoone
®. meiner, feiner, unfrer, eurer treuen, fd^önen §unbe ic. schoone
meinen, feinen, unfren, euren treuen, fe^önen §unben jc. schoonen
meine, feine, unfre, eure treuen, fc^öncn §unbe !c. schoone.
Evenüoo : il)r jüngfteS Äinb, euer neueê fileib, fein guter SJÏenf^^,
unfer tjimmlifc^er Sßater, S^r (uw) ebler SBruber.
Opmerk. Wl axidf kan ook onverbogen blijven; men kan even goed zeggen: mand)
toDftetiBIonn, als; mancher tajifte 9Kann.
Hieruitblykt, «) dat de verbuiging van 't adjectief met ein,
mein, bein, unfer enz. volkomen gelijk is aan de verbuiging
met ber,biefer,jen er, enz. in het meervoud en in 't vrouwel.
enk., h) dat de nomin. manl. en onzijdig, en de accns. onzijdig
afwijken.
En waarom wijken dez^ af? Omdat het lidwoord ein en de
iBeftimmraörter mein, bein, unfer enz. in deze drie gevallen
onveranderd blijven, en men dus hieraan het geslacht van het
subst. niet kan herkennen. De r als teeken van het manlek,
en de 0 als teeken van 't onzijdig geslacht moeten hier of daar
voorkomen ; heeft het ïïeftimmroort ze niet, dan moet men ze
achter het adjectief plaatsen. De Duitsche taal eischt, dat het
geslacht en de naamval worden aangeduid overal waar dit
maar mogelijk is.
Oefening.
Verbuig enkelv. en meervoud, zoowel in 't Nederlandsch
als in het Hoogduitsch;
mein franf- Söruber, it)re iiltefte Sc^wefter, unfer fd)arf- SJieffer, fein
fc^reac^- fiinb, unfer treu- finei^t, eure gut^erjige 9!i(§te.