Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
i
I e i n 3 a ^ ï.
munniiii): SKeibltc^:
-f'. . ^er treue ^mx'i), trouwe ^ie tote ^ßlutne, roode
ó ' be§ treuen §unbeä, trouwen ber roten 93Iume, roode
J ï). bem treuen §unbe, trouwen ber roten ®tume, roode
^il. ben treuen ^nnn, trouwen. bie rote ^luine, roode.
Zaé)ixd):
7 • 2)a§ jc^öne ^izx'ü, schoone
) beê l^önen ^ferbeS, schoonen
bem frf)önen ^ferbe, (schoonen)
baê jd)öne 5ßferb, schoone.
e f) r 3 a H :
ïDie ^c^önen §unbe, SBlumen, $ferbe, schoone
•^j öi. ber fcf)önen „ „ „ schoone
* * S. Cl/O V»/-V/-V»
/

ben jcE)5ncn §unben, 33lumen, ^ferben, schoonen
bie jd^önen §unbe, ^^ïumen, ïpferbc, schoone.
Evenzoo: biejer, {ener treue §unb; jebe rote ®luine; tuelt^eê jc^öne $ferb.
Aanin. De datief onzijd. enk. (schoonen) komt in 't Necftrl. zelden meer voor; men
zal b. v. niet zeggen: ik heb den schoonen paarde haver gegeven ; maar: ik heb
aan het (of alleen:) het schoone paard enz. Het komt alleen nog voor in zekere
vaste uitdrukkingen, als: in koelen bloede, van goeden huize enz.
Staat voor een adjectief het bepal. lidwoord of een der Se=
ftimmtüörier biejer, jener enz, (bladz. 6), dan zegt men, dat het
zwak wordt verbogen, d. w. z. het krijgt cn of n, behalve in den
Nomin. voor alle drie geslachten en in den Accus, vrouwel. en
onzijdig. In 't meervoud heeft het altijd cn of n.
Opmerk. De adjectieven op -eï, -en, -er verhezen de e van dezen
iiitgang, zoodra er eene c achter komt; 5[)Zann ift ebel
unb tQ^)fer, er ift ein ebter, tapfrer ^Jïonn. ^aê ßleib ift fc^on
trorfen (droog); troefne Äletber. (Vergel. euer en eure, bladz. 8).
Oefening:
Verbuig enkelv, en meerv. zoowel in 't Nederlandsch als
in 't Hoogduitsch :
■I bie fal|(^e ^a^e, biefer fjof)e ^urm, jene aïte Äircf)e, meïdjeS groBe 6ie=
bäube, mancher fromme Pfarrer, ba§ bittere ©etränf. — Alleen in 't
meervoud: einige fleinen §äufer, fotc^e mäditigen Könige, üiele tapfren
Solbaten, menige berühmten DJialer.
i
i

Wanneer evenwel voor het adjectief het lidwoord van een-
heidoie^n der Seftimmtobrter: mein, bein, unfer enz. (bladz. 7)
komt te staan, wordt het aldus verbogen: