Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
fpajierte mit b— tiein— .Knaben in b— groß— SBatbe (®at). —
2)— sBöttc^er ma(^t b— goß unb b— ©mer, b— ©c^ujitet b—
©t^uf), b— Sc^mieb b— Ofen unb b— 9?aget, b— ©d^reiner
b— 2if4 b— ^utt unb b— ©^rant, b— ©^toffer b—©c^toß,
b— ©eiter b— ©eit, b— Srouer b— 33ier, b— SJJalev b— ©e»
mütbe unb b— ®i^ter b—@ebi^t. ©c^nobel b— SBogelS ift
rot 1), b— long— §atS ift «eiß 2), er fte^t 3) auf ci— Sein (®at.),
b— ©demons — ... -3(1 roeiß f^on 4), bief— Söget ift b— ©tor4
®— Srief muß ei— ©ieget ^oben, b— ©pieget ei— Sïanb, bie
9tabet ei— Soc^, b— ©d^iff ei— 2tnfer, b— ©örtner ei— 9ïec^en,
b— 9titter ei— ©^roert, b— ÜKagb ei— Sefen, b— ©tubent
ei— Suc^, b— ^ogeftotj ei— 2Beib unb b— 3J?ann ei— Sart.
5.
Vertaal:
Eten effen; — vreten freffen; - houden van (of) beminnen
lieben ; - leeren lehren; — reinigen reinigen; - het heil ba§ §ei(.
De hoenders vreten liorrels, insecten en wormen. Der wol-
ven dood is der schapen heil. Jaren leeren meer dan 1) boeken.
Deze dorpsbarbiers houden van baden (met Udw.). De meiden
vegen 2) de kamers met bezems ; zij reinigen de tafels, stoelen,
lessenaars, spiegels, schilderyen en tapyten. De veeren 3) van
de hanen hebben fraaie kleuren, hunne kammen zyn grooter
dan die 4) der kippen; hunne lellen B) hangen naar beneden 6)
gelijk 7) een baard en aan de pooten 8) (Dat.) hebben zy spo-
ren 9) geiyk ridders. Wy bewonderden de bergen, heuvels,
dalen en velden van dit land. De goede God zegent (fegnet) de
kinderen, die 10) hunnen vader en hunne moeder beminnen.
De schildknapen der prinsen hebben de paarden hunner heeren
aan (o.) de knechten overgelaten 11); deze hebben ze 12) in
de stallen (Ace.) gebracht 13). In eene stad (Dat.) wonen :
smeden, glazenmakers, blikslagers, ververs, tuinlieden, mole-
naars, kunstenaars, schilders, geneesheeren, onderwyzers, goe-
de menschen en schurken. Viytige kinderen houden van boeken
en prenten (met Udw.).
1) al§. 2) fel)ren. 3) Seber vr. 4) bie. 5) ßeljUappen m. 6) gangen
l)crunter. 7) mie. 8) vertaal: voeten. 9) ber Sporn, meerv. bie Sporen.
10) bie. 11) überlaffen. 12) fie. 13) gebradit.
1) rodd. 2) wit. 3) staat. 4) al, reeds.