Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
Oefeningreu.
1.
Schrijf met het lidwoord enk. en meerv. op : 5 diernamen,
die tot de zwakke declinatie behooren; 10, die tot de eerste
klasse, en 4, die tot de derde klasse der sterke dechn. behooren.
2.
Schrijf met het lidw. enk. en meerv. op: 20 persoonsna-
men, die tot de tweede klasse der sterke declin. en 15, die tot
de zivakke declin. behooren.
3.
Vertaal:
Er e§ ; — nooit nie; — gedekt bebeeft; - buitendien aufecrbem; -
eend gnte vr.; — wol SBotte vi".; — kous vr. Strumpf m.; - dood
ïob m.; - breed breit; — diep tief; - fraai fii^ön; — groot grofe;
grooter dan gvBBer al0; - liggen liegen; leggen legen ; — hoeden
pten; — heeten (jeifeen.
De daken dezer huizen zijn met pannen gedekt. Wij hebben
de nieuwe huizen van deze kleine dorpen gezien. De hennen
leggen eieren. De kleederen van die kinderen zijn oud; er zijn
gaten in 1). Hebt gij het gezang der vogels in de wouden (Dat.)
gehoord ? Dit woud heeft zware 2) boomen, breede paden, diepe
vijvers en fraaie beken. De broeder van den ouden ridder zal
het schoone slot aan zijn' jongsten neef verkoopen. In welke
winkels (Dat.) hebben deze kinderen hunne boeken en prenten
gekocht ? Deze boer heeft groote rijkdommen : hij heeft paar-
den, koeien, kalveren, lammeren en zwijnen en buitendien nog
eenden, ganzen, kippen, kalkoenen 3) en zwanen. Het nut der
schapen is groot. Van (oon) de wol van het schaap maakt
men 4) kousen en kleeren en van (»on) zijne huid het leder
voor (ju) schoenen. De mannen, die de schapen hoeden, heeten
schaapherders.
1) barin. 2) fc^imere. 3) ïputer m., SCrut^aljn. 4) madjt man.
4.
Vul eerst in en breng vervolgens elk subst. in 't meervoud:
^abe b— ©egel b— <5^iffc8 gefe^en. ®— ^lot et-
Si gelegt. Sin b— grog— SSaum (®at.) in b— ©arten (®at.)
un[r— Slumift— ^öngt nuv et— Slpfel. ®— gute SJormunb