Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
4.
Vertaal:
®ic iüngfie ïoc^tcr, ®te guten trjte, ÏBc^ter, *)J!iib(f)eit,
ber jüngfteit ïodfjter, bet guten „ „ „
bet jüngften ïo^ter, ben guten flrsten, ïödjtetn, 9J}ctbd^en,
bie jüngfte ïot^ter. bie guten ^tjte, ïfiiï^ter, aJlöb^en.
De vier hoofddeelen 1) van het hchaam zijn : het hoofd, de
hals, de armen en de beenen. — Ik heb twee voeten, twee
handen en tien 2) vingers. — Ieder mensch heeft twee ooren
en twee oogen en slechts één' mond. - De messen der schoen-
makers, de schaven en beitels der schrijnwerkers en de dolken
der bandieten zijn scherp. — De broeders van onzen tuinman
zyn jagers en visschers. - De leermeester wandelde 3) met
zijne scholieren en de baas met zijne leerjongens 4). — Wij
bewonderden 5) de oevers van deze rivieren, de torens van die
steden, de boomen dezer tuinen, de zwanen uws broeders, de
zwarte paarden des ridders en de hooge vensters van die oude
kloosters. — Geef de aalmoezen aan de bedelaars, de bezems
aan de meiden, de lepels aan de koks en de noten aan de
zonen des schoenlappers. - De zoon van mijn' broeder of van
mijne zuster is mijn neef.
5.
Gij hebt de koorts, zeide 6) de oude geneesheer. - Zooveel 7)
hoofden zooveel zinnen. — Ik heb het weefsel der wevers, de
kachels en aanbeelden der smeden, de netten der visschers,
de harken der tuinUeden, de penseelen der schilders, de schoe-
nen der schoenmakers, de akkers en de ploegen der boeren
en de wagens der wagenmakers gezien. — De vensterluiken
van deze winkels moeten 8) geverfd 9) worden 8). — Wij be-
wonderden het gezang der vogels, de vlucht der arenden en
de sterren des hemels. — De jongste dochter van onzen gla-
zenmaker is het kleinste 10) meisje van de school 11). — De
dominé bestrafte 12) de ondeugden van de inwoners zijner stad. -
Hebt gij de gedichten van dezen dichter gelezen en de schil-
derijen van deze groote schilders gezien ? Ja, ik heb ook de
fraaie zadels dezer zadelmakers en de familiewapens van deze
oude ridders gezien. — Vijf pijlen doorboorden 13) het lichaam
van den armen slaaf.
1) ^auptteit. 2) jefjn. 3) fpajierte. 4) Ce^rUng of Se^rjunge. 5) toir
bewunberten. 6) jagte. 7) fooiel. 8) zie boven Oef. 2. — 9) angefttii^en.
10) fleinfte. 11) bie S^ule. 12) beftrafte. 13) but^botjrten.