Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
Hebt gy dat boek over leeuwen, olifanten, wolven, vossen,
honden, dassen, reeën en andere dieren niet gelezen ? - Waar
kikvorschen zyn, daar zijn ook ooievaars. -
5.
3oft bijna; - »ortringett uitbrengen; - ol§ toen; - «erftanbeu
verstaan.
Verander de Nederlandsche „Seftiinmiobrtei" in Duitsche:
De 33oot muß ouf de SÜBerft gebvad^t werben, c8 ift faft een
iBJract. — De Sïngft van den armen 3bioten war fo groß, baß er
geen ?aut Oorbringen ïonnte. — §aft bu het Söefe^l van den
gelb^errn nid^t öerftanben? — De ^olj^auer na^m de Seil unb
fönte den jungen 33aum. — Deze alte ©d^iffer ^at een eblen
e^arafter, zijn Sruber aber ift een S^uft. — |)aft bu nod^ nie
een' (Siefanten gefe^en ? — Een guter S3aum ^ot eene gute gruc^t.
De 9ïaum dezer 5!(J?ar{teê ift groß; de Sltartt van onze ©tabt ift
nid^t fo groß. — Het finnblein fiel auS den SBaum {®at.) unb
brad^ het Sein. — de Äü£)e het ©c^uß des ©etnè^reS forten
liefen fie fort. — Deze ïag ift ebenfo lang olê de 9ïod^t.
6.
Scherp, scherper fd^arf, fd^ärfer; — maar ober ; - tusschen 3101=
fd^en; - nog nod^; - nieuwe neue; - arm ntm ; - geef gib ; -
kooi vr. Rofig m.
Hazen en geweren zijn geene vrienden. - De tanden van
den wolf zijn scherp, maar de tanden van den snoek zijn nog
scherper. - Koningen en herders, heeren en knechten, wijs-
geeren en botteriken, joden, heidenen, christenen, katholieken
en protestanten, allen zijn menschen. - De ooievaars hebben
lange 1) beenen en lange halzen. - Ook de zwanen en ganzen
hebben lange halzen. - De boomen hebben stammen, takken
en twijgen. - Geef de toomen aan de paarden, de jukken aan
de ossen, de kooien aan de vinken, de aanbeelden aan de
smeden, de dolken aan de bandieten en de geweren aan de
soldaten. - Wü zijn getuigen van het (Bon bem) bedrog van
den advocaat geweest; ook hebben wij het verdriet van den
armen, ouden knecht van den graaf gezien. - Een dichter 2)
der Grieken heeft den oorlog tusschen de muizen (Dat.) en de