Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
Schrijf op den Datief enlc. en meerv. van:
®er Saier, biefet SSraelit, jener ©eolog (aardkundige), unferDojcnt,
euev ®lumift, jeber Stubent, tnelii^er Kanbibat, unjer SSauer, mandoer
Sbiot, metn Dïabe, i^v Kunbe, unjer ©e^itfe, euer giirft, fein 9iarr.
1.
Vertaal:
bin (ik ben), i^ war, icfi 6in gcwefen;
^a6e (ik heb), td^ ^otte, tc^ ^o6e getiait;
fe^e (ik zie), ic^ fa§, ic^ ^abe gefe^cn.
De raaf van den knaap en het zwarte paard van den schild-
knaap. — De patiënt van den dokter en de klant van den
advokaat. — Ik zie de ossen van den herder, het huis van
den vorst, de herten van den graaf en de raven der knapen. -
Ik heb den beer, den leeuw, den ohfant en de apen van den
Hongaar gezien. — De staart 1) van de komeet en de bewe-
ging 2) van de planeet. - Deze Franschen en die Pruisen
zijn (finb) de getuigen van den advokaat. — De voorvaders van
dien gek waren (maren) ook 3) gekken. - Ik heb den erfgenaam
van dien ouden vrijer gezien. — De neef van onzen bode is
een Beier.
1) ber Sdituanj. 2) bie SBewegung. 3) auc^-
2.
bin ik ben ()abe ik heb
bu bift je bent bu ^aft je hebt
er ift hij is er fjat hij heeft
tt)tr finb wij zijn »ir fjaben wij hebben
i^r feib jullie zijt i^r ^abt jullie hebt
fie finb zij zijn. fie Ijaben zij hebben.
Onze makker is de neef van dien reus en de broeder van
dezen student. — Deze juristen zijn geene Katholieken. —
De afgoden der Kaffers, de slaven der Turken en de vaandels
der Mooren. — Deze sterrenkundige en die sterrenwichelaar
zijn vrienden van onzen regent, en die philosoof is de vriend
van uwen vorst. — Eussen, Franschen, Kaffers, Pruisen, Beie-
ren, Tartaren en Barbaren, allen 1) zijn menschen. — De erf-
genaam van dien philosoof is gymnasiast, en de neef van
dezen bloemist is cadet. — Mijn vriend kocht 2) van dien
(»on jenem) Hongaar een' diamant, eene parel, een' vink en
een' aap. — Olifanten hebben menigmaal 3) meer verstand
dan 4) idioten.
1) alle. 2) faufte. 3) tnanc^mal. 4) me()r 35erftanb al§.