Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
127
\
kelder te voorschijn gehaald 8). — Toen ik voor eenige dagen
mij des avonds bü donkeren nacht van den schouwburg 9)
naar huis begaf, stiet ik de knie zoo hard 10) tegen (on) een'
wagen, dat ik buiten staat 11) was alleen naar mijne woning
terug te keeren.—Demoeder sloot den stouten 12) knaap in de
kamer (vlcc.) op (o.) — Heden over acht dagen zal dit huis aan'
den meestbiedende 13) verkocht worden.
1) riefig. 2) 3mperfeft. 3) fd^ilbern. 4) Umgebung. 5) gifenbafin vr.
6) fic^ flüchten. 7) gpur vr. 8) hetBotjiehen. 9) ïljeater onz. 10) ^art.
11) aufeer etonb(e). 12) unortig. 13) ber DJleiftbietenbe (Acc.).
^ic tottjuttfUmi ober ba§ ©inbchjort
S)te Sonjunttionen werben im allgem.einen, mag Sebeutung unb
Stellung betrifft, ebenfo gebraucht alg im 9Jiebertänbifc^en.
'>Jiad) i^rer S8 e b e u t u n g finb pe:
1) erweiternd ober anreihend (verbindend), j. S.
unb, aud), jubcm, aufeerbem, überbie§, foreoht . . . a(§, nic^t nur .. fon=
bern auii^; meber .. noi^ (noch.. noch); erft, bonn, ferner, meiter (voorts),
jule^t, enblich ; erften§, jnjeitenê, brittenä ; teils . .. teil§, |um Seit.. jum
Seil.
Slnmertung. 3iii>8i",<"i6«tt'e'n,unbüberbie9 6e6eiiten: tovendien. buiten-
dien, daarenboven.
3n ©ätjen: (ïr ift alt unb arm. (5r ift olt, jubem, aufeerbem,
überbieë ift er arm. gr ift fowotil alt at§ arm. (Sr ift nii^t nur
olt fonbern au^ arm. ®ie ift Weber jung no^ f(!^ön. 6rft betrad^ten
mir bie ïeile eines ®cgcnftanbe§ einjeln, hierauf (bann) bie Serbinbung
biefer SCeile unb enblich ba§ (Sanje. SeitS (jum ïeil) burch eigene,
teils (jum 5EeiI) bure^ anberer ®d)ulb ift cr arm geiBorbcn.
2) entgegensetzend ober adversativ (tegenstellend), 3. S8.
aber, aUein, im ®egentei(, bod), jebod); bennoch unb beffenungeaii^tet
(nochtans, niettemin, toch), inbeffen unb injwifii^en, gtcii^mohl (even=
wel), Bteimehr (veeleer); fonbern, cntmeber ... ober (öf. . . öf), jonft.
3n ©ä^en: Sd^ blieb, aber er ging. »BoIIte bleiben, allein ber
SBater hiefe »nii^ gehen. will bleiben, boeh mufet bu mir Berfpredjien
*) ®er Sehtet wirb gebeten fotgenbe« im älnMIu§ an einen Ileinen niebettänbifi^en
Seitfoben, j. SB. Cosijns .Beknopie Spraakkunst" jtt be^anbeln.