Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
125
fegte fic^ jtDtfc^en unb meinen 93ruber, unb manbte ftd^
mit ber grage an m i ob id^ mid^ ni(I)t me^r erinnerte, ba§ mir
uns bor öier Oa^ren in ^oriS gefe^en unb gefprod^en tjätten.—
3 m ©ommer liegt ber §unb bor b e r ^auSt^ür, i m SBinter (egt
er ft^ ginter b e n Dfen ; au^ bie Sage öertriec^t fic^ gern ginter
b e n Dfen; bort ginter b e m Dfen befommen bie beiben öfters
®trcit.—§aft bu SBaffer in ben SBein gegoffen ?—SïBer fid^ in @ e-
fa^r begibt, tommt barin um.
8.
3ur Überfegung.
Een gevangene maakte in zyn' eenzamen kerker 1) eene
spin zoo tam 2), dat zy zijne stem kende en bij hem kwam,
wanneer hü haar lokte 3) en iets voor haar had. Zij verkortte 4)
hem op (on) eene plaats 5), waar geen vriend tot hem kon
komen, menig treurig uur. Maar toen de cipier 6) het merkte,
bracht Mj haar om 't leven. - Kan ik mü op dezen man ver-
laten ? Ja, ge kunt hem op zün woord gelooven. — Hebt gü
den brief op de post gebracht 7), Johan ? Vergeef mij 8), ik
zal op 't oogenUik 9) gaan. - Het gerucht 10) verbreidde zich
onder het volk, dat onze troepen over den vyand getriom-
feerd 11) hadden (ßonj.).—Hü werd zoo boos op den ongeluks-
bode, dat hü van toorn sidderde 12) en zyn glas aan honderd
stukken brak. — Deze groote knaap is bang (vreest) voor
eene zoo kleine spin.
1) bet fietïet. 2) jofim. 3) loden. 4) »etfUtjen. 5) Ctt. 6) Setfet=
meiftet. 7) ttogen. 8) (ïntftftulbigen ©ie. 9) ben ïlugenbtict, int 3tngenbtid
(ober) gteic^. 10) bo§ ©erücftt. 11) triumphieren. 12) jittern.
9.
(Srganje bie fe^tenben gormen.
9Iuf ein— fcftmal— 2öeg— o— Ufer beS (Sange« fpajierfe ein
SIBonbcrer mit (angfam— ©^ritt—. 13[ögtich faf) er auf b — ïffiiefe
einen grimmigen ïiger auf fit^ jueiïen. Urn fic^ Bor fein— SBut
JU fertigen, moïïte et pd) in be— ©trom ftürjen, unb burd) ©^mim«
men fi^ auf ein- tiei— 3nfel retten, al« er na^e a— Ufer ein
furdfitbare« ^ïrofobil erblicfte. „ÏBet) mir!" rief ber Unglüdtlidje in
b— ïon— ber Sßerjmeiflung, auf aH— ©eit— fe^e ic^ meinen