Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
mach 1) mieber in bte Snblich töfen pe ftc^ oöHig au8 bem
fieberigen Soben, unb fdhmeben bemegtich unb fdhmanfenb 2) eml)or
auf b e m flaren ©lemente, mie ftü^tenbe Snten, bie Oom unbe»
■ quemen 3) ^eftlanb ft^ auf ben glatten ïei^ gerettet.
6.
. 3ur Überfe^ung':
In welke ^ straat woont uw vriend ? Hij woont buiten de
stad, naast den Engelschen gezant. Ik wilde hem een bezoek
brengen, maar in zulk weer waag ik my niet buiten 1). —
Wie is aan de beurt 2)? De beurt is aan mij. 'Ge vergist u3),
ik kom eerst aan de beurt, vervolgens 4) komt de beurt aan
uw' neef en eerst dan aan u. - Het kleine.meisje verborg
het gezicht weenend aan de borst harer moeder; deze legde
haar de rechterhand op het hoofd en troostte 5) haar over
het verlies (Acc.). — Wilt gij een' brief voor mij schrijven ?
„Van harte 6) gaarne, maar waarom schrijft gy zelf niet ?"
Ik heb mij in den vinger gesneden. „Aan wien is de brief
gericht ?" Aan mijn' oom. - Onze soldaten hebben den vijand
op (in) de vlucht geslagen. — Deze machtige koning heerscht
over vele volken.
1) binau§. 2) ÏReibc vr. 3) fic^ irren. 4) nacbber. 5) tröften. 6) oon
^erjen (of) berslifb-
7.
Segrünbe ben ©ebrauch beê ®atioê unb bc8 StccufatiöS in foI=
geuben Sä^en:
©ein jüngfter ©o^n ift unter b i e ©olboten gegangen.—$at man
ben ÜJÏann i n« ®efängni3 geworfen ? Dïein, ober er ift unter b i e
?(ufficl)t ber ^olijei geftettt. — (gr hat feine ©chulb big auf ben
legten Pfennig bejohlt. — (Sr ärgerte fi^ an b e r Dummheit feines
Sruber« unb fchämte fich ü6er beffen u n g e f o l j e n e 3Jeben. —©ie
hoben ben ormen 9Wonn big ouf« ölut gequält.—3 m ©ommer jiehen
roir auf bog ?onb, im SBinter wohnen wir in ber ©tobt unb
gehen bann häufig ing Dh^ater.—Sprich nicht über © o ch e n, über
roeide bu nicht erfl reiflich nodhgebocht haft. — (Sr fproug ouf üor
greube, bie 2;I)ränen floffen ihm über bog ©eftcht.-Der grembe
1) tan^^jZaincrhanil, v.m lieverlede 2) wiegelend. 3 ) ongpmakkelijk.