Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
Dcrgebenê, untfonft
te vergeefs,
umfortft om niet,
ja ,ja; immers;
irei(tct), jmar wel is
waar.
butc^aus volstrekt, nur slechts, maar, bcrgcftatt, bcrniaßen zoo-
gcmife, freiließ welzeker, ölog bloot, danig,
teinesmegä geenszins, citcï, (autcr enkel, lou-glei^fom als 't ware,
einigermaßen eenigs- ter, beftcns zeer, ten zeerste,
zins, faum nauwelijks, je... befto, je... umjo,
irgenb eenigszins, meit, roeitauë verreweg, je • • • je hoe ... des
getabeju ronduit, bot- te, hoe ... lioe.
weg, im allgemeinen , ü6er=
jogor, felbjt zelfs, I)auj)t in'talgemeen,
menigftenë althans, flugä fluks.
ten minste, beiläufig ter loops,
roo (möglid)), mo (nidjt) en passant,
ctwfl soms, altemet, zoo, rüiïlingS ruggelings.
SInmerf. Wie Dejeic^net eine Sl^niic^feit (overeenkomst), als
eine Böttige (volkomen) ©leidi^eit, j. 33. (SocrateS lehrte a t i ÏÏJann
mie ein @ngel, unb ftarb al8 @tei« mie ein SSerbrec^er.•— ®o=
crateê mar SOïann, mar @reiê; beêljalb fte^t bor biefen beiben
SBörtern als; er ^atte bïog einige ä^nüc^teit mit einem Sngel,
mit einem SUerbrec^er; beé^olb fte^t tior biefen ffiörtern wie.
®o unb mie, als unb inte fönnen au^ »erbunben merben,
5. 93. SOÏenfd^en f 0 m i e er t)crmögen me^r als unfereiner. -Sc^ fonnte
nid^t begreifen, i^ bin fo tiug a t« m i e juijor.
3ur Überfegung.
1.
Wat ge heden kunt doen, stel 1) dat niet uit tot (6ié)
morgen. - Wanneer wilt gij hem schrijven ? Terstond. —
„Weet ge, wie daar woont?" Waar? „Daar, aan gene zijde van
de rivier." Welzeker weet ik dat. - Kunt gij my zeggen, waar
die heer vandaan komt? Hij komt juist daar vandaan, waar
gÜ heen wilt. — Wij reden 2) om drie uur weg, pleisterden 3)
onderweg op zijn langst een half uur in de herberg 4) (Dat.)
rechts van de brug, reden om het bosch heen en zaten om
zeven uur weder thuis. - Woont ge boven' of beneden ? Ik
woon beneden. Wie woont boven u? Ge zijt in 't geheel niet
nieuwsgierig. - Het hoofd moet boven, de voet beneden zijn,
zegt een Duitsch spreekwoord. - Die schilderij is wel is waar
geen jongenswerk 5), maar nog veel minder een meesterstuk.—
Beter vrij in den vreemde 6) (Dat.) dan knecht thuis.
1) Berfcfiieben. 2) faïjren. 3) ausruften. 4) SÏBirt§:^auê. 5) ftnaben=
arbeit. 6) iïrembe vr.