Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
jofovt, joflleie^, flleid) langzamerhand, maals,
dadelijk, terstond, nie, niemals , nimmer, feitbem^ jeit sedeït,
Our turjem,nculid),jün(ift nooit, nimmer, biêmeilen, jumeilen
onlangs, je, jemals ooit, somtijds,
morflen morgen, uon jet)er van oudsher, balb spoedig,
überniorflen overmor- lange lang, balb . . .balb nu eens.^
gen, Iftngfl al lang, dan weder,
geftern gisteren, liingftcnê op zijn gerabe, eben -juist, pre-
Borgeftern eergisteren, langst, cies,
frü^ vroeg, bisher tot hiertoe, gerabe redjt juist van
fpät laat, nndj^er naderhand, pas,
fpäteftens uiterlijk, plölili^ plotseling, immerfort gedurig,
fd)on, bereits reeds, be- fonft voorheen, vroe- fovtroöfjrenb voortdu-
reids, - gei', rend,
oft, öfters, l)Äufig dik- cl)emalS,cl)ebem,«orbem, auf immer voor altijd,
wijls, vaak, voorheen, jugleid)tegelijk,tevens,,
foebcu boeven, oorljin daar straks, ab unb ^u, bonn unb
flets, imuior steeds, al- zooeven, wonn, l)in unb inieber,
tijd, äUDor van te voren, mitunter af en toe,
n((nuil)lid) allengs , banials toen , toen- nu en dan.
ïïiimerf. ïWan ^üte fid), bie ^artiteln dann unb denn, wann
nnb wenn ju oerrae^feln. Dann antroortet auf wann; j. 33. SBann
fommt ev? 2)onn. — ®ann unb mann bcjie^en fic^ immer auf
bic Zeit; fie tommen oft öerbunbcn nor unb bebenten bann: Bon
gdi JU äeit (fic^ oben). ^
Wenn ift Äonjunftion, unb ^at jugleid) je:tbeftimmen=
be unb bebingenbe Äraft, (fie^bie iJonjunftion) j. S8. äßann
roerben roir un« roieberfe^en? „®u frogft mit^ roann? 3öenn roit
unê leiber nur jiemalS roiebevfe^en!" 333enn baê raü^te, bliebe
it^ im SSaterlanbe. — Denn bient, roie unfer dan, jur SSerftörtung
j. 58. tonnte nid)t tommen. „®arft bu benn trant? ®u reirft
mir benn bo(^ ni^tê roeiêma(ihen roollen?"
Sßon ben ïtböerbien der Weise unb des Grades ermähnen roir:
olë, roie als, gelijk, gar nic^t in 't geheel faft, beinalje bijna, bij-
roie? hoe? niet, kans,
fo zoo, gar fe^r grooteUjks, l)öe^ftenS hoogstens ,
ebenfo evenzoo, gar ju, allju al te, op zijn hoogst,
anberS, fonft anders, ganj unb gar geheel jiemlid) tamelijk, vrij,,
gern gaarne, en al, heelemaal, feljr zeer,