Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
104
Behalve de reeds genoemde werkwoorden komen in onder-
staande vertalingen nog de volgende samengestelde werkwoor-
den voor:
Stbbcjatjlcn afbetalen, überji^iDemmcn overstrooinen,
abjic|en (scheermes) aanzetten, übertreffen overtreffen,
anfjangen (einer partei) aanhangen, übertreten overtreden,
Quf()clfcn (einem) ophelpen, überjeugen overtuigen,
aufrecht ct()nltcn(0rbnung) handha- umarbeiten omwerken,
ven, fic() umt^um (nac^) rondzien,
auftürmen opeenstapelen, unterbleiben achterwege blijven,
aufjietjen (Ut)r) opwinden, unterbre^en storen,
austreten (gtüffe) buiten de oeversunterfaffcn nalaten, niet doen,
treden, unterfagen verbieden,
burcS)lKlfen (einem) doorhelpen, nnterfc^reiben j tpokenon
eintabcn uitnoodigen, unterjeidjnen { ondei teekenen,
fic^ einft^iffen zich inschepen, oorgeben
einprägen (bem (Sebadjtnië)
ten,
einftetfen (®icbe jc,) inrekenen,
eintreffen aankomen,
forthelfen, (einem) voorthelpen,
überhäufen overladen.
npren- «orfdjütjen
uorroenben' voorvv^enden,
fich iDiberfeljen (einem) zich verzet-
ten (tegen iem.),
raiberfpre^en weerspreken,
mieberhaHen weerklinken,
überfteigen overstegen, te boven fic^ jujieften zich op den hals halen,
gaan.
Oefeningen.
1.
Verander de infinitieven in de passende vormen:
9Kan ift öerpfli(§tet, einen SSerfcved^er angeben. — ®iefer
©eij^atê ^ i n t e r l a f f e n feinen Srben ein große« Sßermögen.—®er
9ieifenbe juritdlaffen in bem SBirtfi^anfe feine U^r, meit er
bie 1) ni'ï)' ^eja^len tonnte. — 9Kan ift mitunter 2) genö»
tigt 3), etmaS ni i t m a d^ e n, maê man nit^t bitligt. — (Sr ftanb
im begriffe, fic^ e t n f i f f e n, atS i^m ein Srief ü b e r r e t d^ e n
mürbe, metd^er i^n 5 u r ü et r u f e n. —(Sr ^at ben Stuftrag unrichtig
überbringen. — ®te Stüffe maren buret) bic an^attenbcn 9ïe»
gen a u g t r e t e n nnb Ratten bie ganje ©egenb ü b e r f ro e m ^
men. — ©eftern abenb ift ber AÏöntg in ber Stefibeu", e t n t r e f =
1) rekening, verlering. 2) tussclienbeitle. 3) noodzaken.