Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
werkwoord den hoofdtoon ki-eeg. - Daardoor zijn zeer
grilhge afwijkingen van het hoofdbeginsel ontstaan: leg
den klemtoon op dat gedeelte van 't woord, waarvan de
beteekenis krachtig moet uitkomen. — Vergeiyk eens:
Aanvangen en aanwawkelyk, a/keeren en af/ceerig.
(Mi»2houden en aanfeowdend,
afhangen en af/ict»ikelijk,
»lakomen en na/comeling,
omstooten en onoms^ootelijk,
omtJawgen en omvang,
onderhouden en onderhond,
ondericyzen en onderwas,
opmerken en opmer/czaam,
«tï^drukken en uitdrMA;kel\jk.
toegang en toegankelük/
«nschikken en in-sc/w/ckelijk,
mnemen en innemend,
Miimunten en uitwemtend,
Mifeteken en uitsiekend,
uitvoeren en uitvoerig,
voortdvwen en voorttZwrend. —
voortvaren en voortvarend,
ryand ^n vijandig, enz,
yooybeeld en voor&eeZdig,
Doormaals en voormahg, enz.
Deze afwijkingen komen niet, of althans in geringen getale *),
in het Hoogdvütsch voor. — Vergelijk :
9loit|=
ÜCb^angen en oBfjangig,
oftfallcn en ofifaUtg (afkeurend),
onfatigen en onfiingHd),
onï)aUm en onfjaltcttb,
ouBfübrcn en ouéfül)rIic^,
fiii^ auêjeid^ncn (uitmunten) en
ouggcjeidjnd,
einne()men en ctnnc^menb,
Ten bewijze dat de Duitschers vasthoudender zijn in 't hand-
haven van den oorspronkeiyken klemtoon, volgen nog eenige
gemengde voorbeelden:
fortroftOren en foTtiuäljrenb,
uat^lnffcn en ttoi^lftffig,
noi§fDinmcn en Sloi^toiiiiiic,
fönunüng,
na^tragen en nac^tröglid),
jntaffcn en sulfijfig,
Sugong en juganglidj !c. k.
9lDmad)t oUmiidjtig,
^Zmacht almao/itig.
«ntroort «crontiuorttic^,
awZwoord verantwoordelijk,
ïlrbeit orbcitfam,
arbeid aröej'dzaam.
(ttufru^r aufrüfirerifc^,
oproer oproerig,
(fine Stinuiic einftimniig,
eene stem eensfejwmig.
Söielc Sarben Oielfatbig,
rele kleuren veelA-Zewrig.
®ur(^)id)t öur^fidjtig,
rfoorzicht doorgjcMig.
fiönig, ®nttcr, fiönigin, SBduerin,
Zconing, boer koningm, boerm.
Urjprung itrfpriinglic^,
oorsprong oorspro)?kelijk.
SBorfalj uoriiitjlidi,
opzet opseitelijk.
(Bortcil Bortciüg,
voordee\ voordeelig.
Stngcnc^iii unangenc^m,
aangenaam onaangenaam.
*) U. V. Unterhalten naast Unter^olt, unterScheiben naast Unterfi^ieb, unterrichtert
ijaast Untertitf)t en eenige andere.