Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
IM
96
Deze werkwoorden zijn intransitief, omdat zij alleen een voor-
werp in den datief en geen' accusatief bij zich krijgen.
Voorbeelden. äBenn e§ Stv niiïjtë nü^t frommi), fo fc^obet e§
Sir aud) nic^t. - SÏBeitn id) 3I)ncit toinfe, müffen Sie mir folgen.—gra=
tuliere fijnen jum eintritt 1) in ba§ neue 3a^r. - ©rotte beinem ajru»
ber nidjt, jürne Seinem greunbe nid^t, ftu^e feinem. — Seute, bie mir
tronen, finb mir lieber al§ btejenigen, welche mir fc|meic^eln. - SüBir
iDollen bem Unfug 2) fteuern. (Maar: ®er ©i^iffer fteuert baê S^iff). —
Sffieic^ft bu mir, fo meidje id) bir. - ®cm Subringlid^en 3) mufe man
wedren. - bu in jeber §infid^t 4) ber t)errfc^enben SOïobe tiutbigft,
geteid)t bir nid)t jur e^re.
Deze werkwoorden mogen en kunnen niet in den lijdenden
of passieven vorm gebruikt worden gelijk gewone transitieve
werkwoorden. Men kan b. v. (ir l)at mi^ beloont, geftraft, gefetjen «.
veranderen in: bin beloont, geftraft, gefetien worben; het voor-
werp mic^ in den Accusatief wordt veranderd in een voorwerp
ti^ in den nominatief. - Zoo echter kan men niet met de werk-
woorden handelen, welke niéts dan een' datief bij zich krijgen
en dus intransitief zijn: de datief moet altijd datief blijven, er
bontte, biente, brol)te, roinïte, ^olf mir kan nimmer veranderd worden
in: 3d) luurbe gebontt, gebient, gebrof)t, geroinït, geholfen. En dit is gemak-
kelijk te begrijpen, wanneer ge hetzelfde op werkwoorden toe-
past, die ook in 't Nederlandsch alleen een datief regeeren,
b. V. op behagen, ontbreken, betamen en dergelijke. würbe
gebantt, gebrokt etc. zou gelijk staan met: Ik werd behaagd, ont-
broken, betaamd enz. wat klinkklare onzin is. — Wil men een
lijdenden vorm in schijn gebruiken, dan moet men zeggen:
5Mir, i^m, unS würbe gebontt, gebro^^t etc. of met c8: würbe mir
gebantt, gebrokt etc.
De volgende onpersoonlijke werkwoorden hebben een' datief
bij zich: eë o^nt mir (of) mir a^nt 5), ei bangt mir (of) mir bongt 6),
c§ graut mir (of) mir graut 7), e§ fdiwinbelt mir (of) mir fd)Winbelt 8),
e§ träumt mir (of) mir trSumt 9).
b. V. e§ ot)nt mir (of) mir a^nt etwaS 93ßfe§. 9Jïtr bongt Bor beinem
®ro^en nii^t. e§ graut Bor bem S^obc. e§ fdiwinbelt mir Bor ben
klugen. 9Jitr träumte, id) fei ein mä^tiger ffiönig.
De adjectieven, die den datief regeeren, zijn in het Duitsch
in hoofdzaak dezelfde als in het Nederlandsch.
Vergelijk: De knecht is zijnen heer getrouw, gehoorzaam,
behulpzaam, genegen, toegedaan, dankbaar, erkentelijk, enz.
1) bij de intrede. 2) ongepastheden. 3) indringer. 4) opzicht. 5)'tligt me bij.
ik heb een voorgevoel. 6) ik vrees. 7) ik ril, huiver. 8) ik duizel, mij duizelt,
9) ik droom.