Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
■berfichcvte nitd) feiner greunbfchaft. ®er SJcrräter würbe Seä ßonbeä (= auä
bem ßanbe) UErmiefen. ®et ftotje ffliann loürbigte feinen alten greunb
feineä ®Iitte§.
Opmerk. 2. Zooals uit bovenstaande voorbeelden blijkt, heb-
ben deze werkwoorden twee voorwerpen bij zich: één voor-
werp dat den persoon, en één voorwerp dat de zaak aanduidt.
Het voorwerp van den persoon (het persoonlijk object) staat in
den accusatief, en het voorwerp der zaak in den genetief.
Dikwijls echter staat het persoonlijk object in den datief; in
dit geval moet het voorwerp van de zaak in den accusatief gezet
worden. Vergelijk: gr »erfiiherte mii^ feineS 2Bo{)tinotten§ (en:) gr
t)erfi(ï)erte mir fein äBohlwotlen. — TOan beraubte i^n feineê ®elbe§ (en)
ï)lan raubte ijnt fein ®elb.
Evenzoo : gr gab, fchenfte, fanbte, fi^icfte, brachte, reichte mir SaS Selb.
Ook sommige adjectieven worden met een' gewefe/verbonden,
gelijk in 't Nederlandsch, b. v. bewust, kundig, schuldig in: Ik
ben mij geener schuld bewust, hij is een deskundige, hij is des
doods schuldig. - De meest gebruikelijke zijn:
bebürftig 1), benötigt 1), bewußt, eingeben! 2), fö^ig 3), gewiß, t)ab=
haft 4), funbig, mächtig, mübe, fatt, f^utbig, ficfier, überbrüffig 5), t)er=
luftig 6), würbig, wert.
Voorbeelden, gr ift ttnf(e)rct Siebe bebürftig, benötigt. 3ch bin mich
Öeffen nicht bewufet. - Sei öeö ïobeS eingebent! gr ift jetier ïiufopfrung
fähig. - ®ift bu ieincï Sache (of:) bon beiner Sa^e gewiß, fi^er ? -
®ie 5|}olijei ift beä ®iebeë habhaft geworben. - ®iefer (Seiehrte ift Bieler
Spraihen funbig, mächtig. — Ith/ bi" Sebenl mübe, fatt, übcr=
brüffig ! - Xer ßönig ift 5e§ ïhwneS oertuftig erftärt; er ift nUer ghrc"
oertuftig gegangen. — gr ift unfreê 9Kitleib§ nicht wert, würbig. — gr
ift beé ïobeê fchulbig; (maar:) er ift, bleibt mir no(h Bi e I ® e tb
f(^utbig.
2. ®otiO.
Met den datief worden, behalve de 6 vroeger geleerde: bonfen,
bienen, brohen, helfen, fi^meii^eln en trauen, de volgende werkwoor-
den verbonden:
SRüfjen 7), fihaben, folgen, gratulieren 8),
©toüen 9), jürnen 10), fluthen, fonbolieren,
Stoken 11), fleuern 12), hulbigen unb meiihen,
SBohen 13), mehren 14), minfen unb gereiihen 15).
1) benoocïigil. 2) gedachtig, indachiig. 3) bekwaam, in staat (lol), Fr. capable
de 4) meester Zie bl. 40). 5) moede (zinverwant: mübe, (att). 6) vervallen (van),
kwijl. 7) balen (ook: frommen). 8) feliciieeren. 9; wrok koesleren tegen. 10) toor-
nig zijn op, toornen 11) Irotseeren. 12) legeirgnan. 13) naderen. U) beletten,
te keer gaan. 15) strekken, verstrekken.