Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
Behalve deze werkwoorden regeeren nog den genetief:
a) bebürfen 1), erh)ö|nen 2), gcncfen 3), ïiorten 4), la^en, ipottcn,
fd^onen 5) en «joïten 6).
Deze werkwoorden zijn intransitief, omdat zy alleen een' ge-
netief en geen' accusatief regeeren.
b) fidfi annef)men 7), fi^ Êcbienen, fiiï^ Beinac^tigcn 8), fic^ bemeiftern 8)
fti^ enthalten, fic^ erinnern, firf) freuen 9), fic^ weljren.
Deze werkwoorden zijn wederkeerend (rüdjietenb) of reflexief; .
behalve het voorwerp in den genetief hebben zü het reflexieve
voornaamwoord flc^ steeds bü zich.
c) anflagen, berauben, befc^utbigen, enttoffen 10), entfe^cn 11), über=
^eben 12), Oerfic^ern, «ertoeifen 13), loürbigen 14).
Deze werkwoorden zün transitief, omdat zü, behalve het voor-
werp in den genetief, ook nog een voorwerp inden accusatief
bü zich nemen.
Opmerk. 1. Zeer dikwüls kan men in plaats van den genetief
den accusatief gebruiken-; ook wel een voorzetsel, vooral
üon, au§, über en auf (zie de voorbeelden). Den genetief be-
zigt men liever in den deftigen of dichterlijken stül.
Voorbeelden: ®er ïrante bebarf ïicr Sßflese- SBir bebürfen (braud^en)
iioê ®elb nic^t. - 6r fprad; über bic (ïltern, ïicr ßinber crn)äf)nte cr gar
nic^t; (gebruikelüker:) Öic fiinber ermähnte er gar nicf)t (in 't geheel niet).
Sic Söcferin ift eine« gefunben Snoben genefen. - äBir Marren fcincr 9ïü(I=
ïe^r (of:) ouf feine Siütffe^r. - Qx lachte, fpottete meiner 5urc^t(of:)
Ü6er meine gurdjt. — ®er ßrieg fdiont ouc^ ïieê fiinbleinä ni^t, (ge-
bruikelüker:) fi^ont ouc^ ï)0§ fiinblein nit^t. — ®ie SJlutter martetc
icg (ranïcn Snaben (of:) ï)en franfcn iïnaben.
®er eble SJtann na()m fic^ ScS armen Sffiatfen an, trok zich zijner
aan. - (ïr bebiente fid^ einer Sift um fein Siel ju errctdjen. — ®er
geinb bcmädjtigtc (bemcifterte) ftd^ Öer §auptftabt. — ®er ïJlrst fagte, i^ folie
mict) icê aBeincë enthalten. - ^reut eud^ Öc0 ßcbenä! Schept vreugde
in 't leven ! - freue mic^ ouf ba§ morgige geft. - ®cr ftreitbare
ÏWann ttieljrt ficf) fcincr §nut, fcincS 2eben§. aBcl)re btd^ gegen bie S8er=
fud^ungen! — TOan t)at i^n ïlcê ®icbfta^l§ befd^ulbigt (angetlagt), fctncê
1itmte§ entfeljt unb fcincr SBürbcn beraubt.- t)obe meinen Snedjt fcincS
®ienfte0 entlaffen unb bin babur^ otter Unannc^mlid^fcitcn 15) überhoben.
(Ook goed: ou8 feinem 3lmtc entfe^t, onS bem Sicnfte entlaffen.) gr
1) behoeven. 2) {jewag maken van, vermelden, aanstippen. 3) bevallen. 4) wach-
ten. 5) sparen, ontzien. 6) wachten; verplegen. 7) zich aantrekken. 8) bemach-
tigen, zich meester maken van. 0) zich verheiigen. 10) ontslaan. 11) ontzetten,
ontslaan. 12) bevrijden, ontheffen, 13) verbannen. It) verwaardigen* (met).
-15) onaangenaamheid.