Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
"wat Willem gezegd heeft, op de volgende wijze aan Jan mede r
W. vertelde mij, dat hy onwel was. - Dese woorden heeft W.
niet gebruikt; ik heb ze eenigszins veranderd ; 't zijn Willems
woorden niet meer, en daarom ook is het aanhalingsteeken
(„ —") weggelaten. Dat hy onwel was is eene inbirefte Siebe.
In het Hoogduitsch staat het werkwoord ber inbiretten Siebe
bijna altijd in den ßonjunftio, b. v. Söil^elm fogte: „3 c^ 6itt un=
luo^l." - SBil^etm jagte, baß er unwohl fei. In het Hoogduitsch
worden zulke zinnen ook dikwijls zonder boft gebruikt; men
kan b. v. evengoed zeggen: SBil^eltii fagte, er fei unroo^l.
Evenzoo: gr rief mir ju: „Romm' ié) ^abe et»o§ für bic^!"
®r rief mir ju, id^ foïïe ju i^m fommen, er ^abe et^a^ für mid^; (of)
(Sr rief mir ju, bafe tc^ fommen folte, bofe cr etmaS für mid^ t)abe.
,ffarl bef)ouptetc: „®al fann niemanb."
Rar( behauptete, bofe niemanb baê ïSnne (of) k. befiauptete, ba§ tönne
niemonb.
(ïr fragte mid): „ffennft Öu jene §erren ?" - fSv fragte micf), ob ii^
jene Herren fennc.
Sd) fragte iijn: „Sßteiben ®ie ju §aufe ?" - fragte i^n, ob er ju
§aufc bleibe.
er befaf)! mir: „ßege ba§ Sudi baïjin, unb fpric^ fein äBort me^r!" -
gr befalt mir, id; foüe ba§ a3uc^ baï)in(egen unb fein SBort me{)r fprec^en.
Sd^ bat i^n : „Rommen Sie morgen ju mir." - bat i^n, er möge
' morgen ju mir fommen.
Dikwijls mag men het werkwoord der inbiretten ïRebc, dat in
bovenstaande voorbeelden in het ïpröfcn« be§ fionjunftioê voorkomt
in het 3m|)erfcft gebruiken. Dit is zelfs noodig, wanneer aan het
spröfenê niet te zien is, of het tot den Ronjunttiu of tot den
^nbifatio behoort.
Zoo zal b. V. in volgende zinnen: S®ir fagten: „SBir Ijoben tein
(Selb me^r." — ©ie frogten unê: „SBnnen Sie un§ ben Sffieg weifen?"
de birette Siebe aldus in eene inbirefte moeten worden veran-
derd: Sffiir fagten, wir potten tein ®elb met)t (of) bafe mir tein Selb
mef)r Rotten. —Sie fragten un§, ob mir i^nen ben Sffieg weifen (önntcn.-
Hier moet het èmperfeft (fjättcn, tonnten) staan, omdat ïiaben,
ffinnen $räfen§formen zoowel van den SfnbifatiD als van den
Ronjunttio zijn.
In de volgende oefeningen evenwel moet ge het werkwoord
ber inbiretten Siebe in het spröfenä be§ Ronjunttiüä gebruiken, wan-
neer er niet uitdrukkelijk 3mperfett bij staat.