Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
van zijn' kant 10) beloofde, mij spoedig te zullen antwoorden.
Ilt zou niet graag in (an) zijne plaats \\)(Dat.) willen zijn.-Men
zegt, dat die man zeer geleerd 12) is ; ook myn oom beweert 13)
het, en dan móogt gij het gerust 14) gelooven. - Waarom is
Trans niet gekomen ? - Hij moet ziek wezen.—Vlijt brengt brood,
luiheid 15) nood.
2.
Geen mensch moet moeten. Doe, wat ge moet. Wat men
niet gaarne doet, moet (behoort) men eerst 16) doen. Na ge-
danen arbeid (Bat.) is het (o.) goed rusten 17). Ik dacht, dat
gij graag deedt (Sonj.), wat hij u beveelt. Roep den kleermaker,
hij ivioet dadelijk komen. - Wie moet eerst lezen ? Wie ■wil. —
Ik ga naar de stad, gaat ge mee? Neen, wat zal ik daar
doen 18). - Kunt gij mij (Bat.) den naam van dien heer niet
noemen?—Wien hij kent, diens naam noemt hij ook dadelijk;
hij haeft een buitengewoon 19) geheugen 20). — Gij hebt loel
is waar 21) uwen phcht vervuld, maar daarop (Gen.) moogt gij
u niet beroemen, — Dat moogt ge vrij zeggen, daarover (Gen.)
behoeft 22) gij u niet te schamen. — Ik zal het u vertellen,
maar ik zou niet graag willen, dat hij het weder vernam 23) —
Ilc zou graag op reis 24) willen gaan, maar ik mag er niet
aan 25) denken, daar mijne beurs 26) het mü niet permitteert 27).
Ik heb de ellende 28) der ongelukkigen gezien, ik mag er niet
aan denken; als ik er aan denk zou ik willen schreien. —
Kreupel 29) wil altijd voordansen 80).
1) wenn. 2; Ijctien. 3) de rechterhand, de hnkerhand bic Sïcthte,
bie ßinte (ook:) bie recfitc §anb, bie linfe §anb. 4) gtaintne vr. 5) (ïigen=
tün:cr. 6) unnucnben. 7) früher, Derbem, el)emo(ë. 8) llniuerfität vr. (Bat.)
9) «erleben, jubrinflcn. 10) jeincrfeit§. 11) ®te((e vr. 12) gelehrt. 13) be=
Raupten. 14) ruhig. 15) gau(f)eit. 16) äuci'ft. 17) rul)en. 18) mnd)en.
19) aufeerórbentüd). 20) ba§ (Sebachtnië. 21) jwar. 22) braud)en. 23) n)ie=
bererfal)ren ßmpf. fionj.). 24) auf Seifen. 25) baran. 26) SJörfe vr.
27) ertauben. 28) ba§ (ïtenb. 29) ßrüppel. 30) «orantanjen.
D. Jlie inbirfktf Jlclip. ^
Wanneer ik datgene, wat een ander gezegd heeft, niet pre-
cies met zijne woorden, maar met mijne woorden oververtel,
ontstaat de zoogenaamde intiircftc SReÖe.
Willem heeft mü b. v. verteld : „ik ben onwel"; nu deel ik