Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
op de Warmondsche kermis zoo ten naastenbij even welkom
is als een rotte appel bij Lijsbet-moêr, de groentevrouw.
Neen, man, ik blijf t'huis, en zeg maar aan de speellui te
Warmond, dat Jan Steen de jicht heeft in zijne beurs!"
»Alsof gij hier niet even gauw geld kunt slaan, als ze
'tin de Munt van Dort doen! Laat zien: 't is vandaag woens-
dag; morgen neemt ge zoo'n boerenvechtpartijtje op den
ezel, en, als ge wat doorwerkt, loopt het vrijdag-avond
vroolijk van stapel. Zaterdag kom ik het bij u halen, en
als ik er dien dag geen kleingeld van maak, heet ik geen
Daniël Aldenhoven meer. Op die manier komt ge zondag,
niet met één, maar wel met vier goudguldens op zak te
Warmond."
Meester Daniël moest zich met opzet houden, alsof hij
'tniet zag; want ontgaan kon het hem niet, hoe onder zijn
spreken de spottende uitdrukking op het gelaat van zijnen
toehoorder plaats had gemaakt voor een somber fronselen
der wenkbrauwen en eenen verdrietigen trek om den mond.
Zonderling flikkerde het oog des schilders, toen hij hernam:
»Daniël! Daniël! men heeft mij leeren bidden: voer ons
niet in bekoring — en, als gij bij mij zijt, mag ik er wel
bijvoegen: verlos ons van den booze! Zie, Daniël, dat juist
is het eenige, wat mijne ziel zich verwijt. Dat men mij eenen
lossen kwant scheldt, .dat fijne kwezels mij nahouden, dat
ik drinkgelagen en kermissen naloop — dat raakt mij de
koude kleeren niet. Maar de nobele penseelkunst, Daniël,
zij heeft zich over mij te beklagen, en dat gaat mij vrij wat
meer ter harte. Of wat doe ik anders dan haar in 't aan-
gezicht slaan, wanneer ik, op uwe inblazingen en die van
uws gelijken, ter wille van den Mammon van die haas-
tige, onbeschaafde paneelkens de wereld inzend. Met smart
denk ik aan de dagen, toen ik er den tijd voornam, mijne
tafereelen zorgvuldig af te penseelen. Zouden ze voorbij
zijn? . . . Neen! ik heb besloten, dat ze zullen terugkee-
') Geldgod, het geld.