Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
geheel begreep. Festijnen en zondagsche kleeren!.,. helaas,
zij had dien morgen wel wat anders geklaagd bij tante
Swaantje! En dan — op buurman Daniël had het kind hèt
maar volstrekt niet begrepen: schuw ontweek zij zijnen
zwervenden blik, het scheen zelfs, dat zij schreide. »De
kinderen! de kinderen!" mompelde Jan Steen, terwijl hij
vlijtig bleef doorschilderen. Meester Daniël scheen een oogen-
blik verlegen met de zaak, maar hernam toen met eene
stem, waaraan hij tevergeefs eenen schijn van ronde vroo-
lijkheid trachtte bij te zetten:
»Wilt ge wel gelooven, mijn wakkere schilder, dat niet
één van de vroolijke gezellen, die ge voor een paar dagen
in de Pauw hebt doen schateren van lachen, u thans her-
kennen zou? ge zijt veranderd als een blad van eenen boom."
»'t Zou geen wonder zijn! De wijn is mij dien avond de
baas geworden: ik ben duizelig t'huis gekomen en ik kon
gisteren geen slag uitvoeren. En dat, terwijl ik er mijne
zinnen op gezet had, dit schooltje zoo uitvoerig af te ma-
ken, dat Mieris er jaloersch van zou zijn. Ik heb gisteren
dien avond wat verwenscht."
»Met uw welnemen, meester Steen, dat was dwaas van
u. Of hebt ge ooit zulke potsierlijke tooneelen gezien als
juist in de Pauw? Immers had uwe vroolijkheid al de ande-
ren aangestoken: ik heb wel gezien, hoe gij, toen de wijs-
heid bij de meesten in de kan was geraakt, hen hebt zitten
uitlachen; ik was bang genoeg, dat men u de scherpe zet-
ten, die gij er nu en dan tusschen wierpt, kwalijk nemen
zou, vooral toen Arentsz zich zoo mal aanstelde."
»De melkmuil, die anders met den mond vol tanden zit!"
lachte Jan Steen, door de herinnering meegesleept, thans
vroolijk mede. »Zij merkten het niet, de lummels, dat ik
het er op toelei, hen op de hoogte te krijgen, en toen zij
eenmaal waren, waar ik ze hebben wilde, hebben ze mij
stof gegeven voor wel tien schilderijen, die mij hier al in
den bol zitten. Als 't mij lukt, het domme gezicht van dien
Arentsz te treffen, zooals 't mij voor den geest speelt, ben