Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
met het vrij wat minder ver vooruitziend plan van straks
zijnen vader eenige stuivers af te troonen, welke hem in
staat zullen stellen, om met zijne kornuiten in de beugel-
baan zijne kansen te gaan beproeven.
Van tijd tot tijd komt vaders peetekind, de zevenjarige
Jan, die'zoo pas is ontslagen van de onbeweeglijkheid, waar-
toe hij eenen tijd lang is veroordeeld geweest, omdat de
schilder zijne snaaksche trekken aan een zijner figuren
wilde geven, zijnen broeder op de handen kijken, maar wordt
spoedig weêr uit dien hoek verjaagd door de bedreiging van
eenen smeer met het tempermes te zullen krijgen. De dreu-
mes, half gekleed, wipt daarom maar spoedig weder naar
zijne natuurlijke beschermster, zijne twaafjarige zuster Ca-
tharina, die, door het ontwakend instinct van vrouwelijke
arbeidzaamheid gedreven, op een laag stoeltje bij den schoor-
steen eene grove wollen kous zit te breien.
Maar genoeg, het wordt tijd naar den schilder zeiven om
te zien. Ziet, daar zit hij voor den ezel, waarop een paneel
is geplaatst, dat ons de bijna afgewerkte voorstelling ver-
toont van eene dorpsschool, waarin de woelige jeugd van
de gelegenheid gebruik maakt, dat de meester is ingesla-
pen, om allerlei guitenstukken uit te voeren. De begaafde
hand houdt nog wel palet en penseel, maar gebruikt ze
sinds eenige oogenblikken niet. daar de vernuftige geest van
de schilderij is afgetrokken door het gesprek, hetwelk de
schilder voert met zijnen bezoeker. Ziet, hoe levendig en
ondeugend schittert dat helderblauwe oög onder den geesti-
gen wenkbrauwboog; hoe spotachtig krult zich de bovenlip
met den fijnen blonden knevel: van hoeveel levenslust en
levenskracht spreekt geheel dat gelaat. En toch, toch ligt
daar een zweem van somberheid, misschien wel van wre-
vel, schier onmerkbaar verborgen in die lachende trekken;
toch trilt de lip van krachtig zelfbedwang bij het onder-
drukken van gewaarwordingen, die zeker nog al in strijd
zijn met den onverstoorbaar'goeden luim, die zijne vrienden
hem toekennen. Eerst nu bespeuren wij, dat hij gezelschap