Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
geplaatst, waarop in de hoogst denkbare wanorde kinder-
speelgoed , eene papegaaiskooi, kleederen en de overblijfselen
van een ontbijt door elkander staan of liggen. Stoelen van
verschillenden vorm, nu eens rijk gebeeldhouwd, dan weder
eenvoudig gedraaid, niet zelden beschadigd, zijn hier en
daar verspreid en voor het grootste gedeelte overladen met
dingen, die eigenaardiger in kasten en koffers, dan op stoe-
len thuis behooren. Eene eikenhouten spinde, welker open-
hangende deur niet veel meer dan ledige planken doet
bespeuren, kleinere meubelen van onderscheiden aard, voor-
werpen tot huiselijk of persoonlijk gebruik, kleederen, eet-
waren, boeken, kegels en wat al meer, liggen overal, en
niet het minst op den planken vloer, verspreid. Kortom,
geen zweem van huiselijkheid of orde verraadt het opzicht
eener huismoeder of zelfs maar de gehuurde zorg cener
vrouwelijke dienstbode.
In een ander gedeelte van het vertrek staat het niet veel
beter geschapen. Daar, dicht bij het hooge venster, welks
in lood gezette ruiten zeker in geen maanden kennis ge-
maakt hebben met het reinigende nat, vinden wij den schil-
dersezel; tal van flesschen met olie, papieren buidels met
droge verven, doeken en paneel, schilJersÜjsten, oude wa-
pens, portefeuilles met prenten, folianten, enz. zijn er in
wonderlijke verscheidenheid om heen gegroepeerd. In eenen
inspringenden hoek achter den ezel, half verborgen door
een gordijn, dat van een der zware zolderbinten in breede
plooien naar beneden hangt en het licht onderschept, staat
een tafeltje, waarbij wij eene vrij groote oliekruik aantref-
fen, en dat een zwaren marmersteen draagt, waarop de
zestienjarige zoon en leerling des schilders — want het wordt
tijd, dat wij van zaken tot personen overgaan — met
den looper eene tamelijk groote massa veif tracht fijn te
wrijven. Cornelis troost zich bij den tamelijk zwaren arbeid,
vooreerst door bijwijlen een vroolijk liedje te neuriën en
verder met het vooniitzicht — niet van op zijne beurt voor
den ezel te zitten en een groot schilder te worden — neen,