Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
Hij kan het zuchten van het dorre gras hooren op den
rand van de klip, zwak en gebroken, klagende tegen den
storm, die het martelt, — dan het woedend geraas der ruk-
winden, als zij over de rotslagen vliegen, als honden tegen
hunne prooi, en nog verder daar beneden het schrikbarende,
verwoede gebrul van het heirleger der baren. Hij kan ze niet
zien, terwijl hij de vorsehende blikken in de sombere diepte
zendt, ■— hij ziet niets dan een rusteloos gewoel van lucht
en regen en schuim, alles dooreen, alsof de dampkring zelf
zich dacht vrij te maken uit de klauwen van den storm.
Plotseling — van beneden schemert iets: — en in één '
oogenblik verlicht een blauwe vuurpijl het geheele tooneel
met spookachtige kleuren , — blauw opspringende golven, —
blauw schemerend schuim, blauwe rotsen, met blauwe ge-
stalten bedekt, en duizenden blauwe schuimmassa's, die over
den rand van den heuvel heenvliegen en verdwijnen. — Maar
waar is het wrak? Het blauwe licht kan den grijzen sluier
van nevel en schuim niet doordringen, die over de zee hangt,
en sedert een uur en nog langer hoort men geen schot weer.
Elsley haast zich naar beneden en vindt het halve dorp
op de lange hellende duincpits bijeen. Zeelieden in duffels,
kustwachters in regenmantels, vrouwen, met de rokken over
*t hoofd opgeslagen: allen rusteloos heen en weer en door
elkander woelende, terwijl elk oogenblik de een of ander
nieuw aangekomene de helling afstrompelt, zich kleedende,
terwijl hij gaat, en vraagt: »Waar is het schip?" en tot
antwoord de knorrige raadgeving ontvangt, »om zijnen mond
te houden," — alsof er hoop bestond, om het wrak te hoo-
ren, dat zij niet zien kunnen. En teedere vrouwen, wier
hart met moederliefde is vervuld, verklaren, dat zij kleine
kinderen hooren schreeuwen, en worden op eene spottende
wijze tegengesproken door welmeenende mannen, die (vol-
gens de gewoonte der mannen) iets al te pijnlijks niet gaarne
gelooven, — of, als ze er aan gelooven, er liefst niet van praten.
»Vanwaar kwamen die schoten?" vraagt de luitenant aan
den bootsman.