Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
nadert, zij bereikt u, — zij komt mef groote droppels in
de gedaante van eenen stortregen en laat u geenen drogen
draad aan 'tlijf. Zelfs van uwen kleinen berg kronkelen
kleine stroomen naar beneden. De wagensporen staan vol
water, en bij het verdwijnen der bui komt de zon eens even
boven het gordijntje doorkijken en zendt stralen af, zoo
scherp, alsof zij met spelden en naalden bezet zijn. Doch zij
is na weinige sekonden al weer weg.
Al weer bliksemschichten. Zij schieten voort langs ge-
knikte lijnen, alsof zij gedurig zijwaarts springen en dan
weer naar beneden. Enkele malen doorloopen zij den kort-
.sten weg. Het gerommel van den donder volgt spoediger
op het vuur. De donderwolk is nog veel duisterder gewor-
den en hooger opgeklommen. Het is, alsof zij al de don-
kerheid van den nacht onder haren mantel verborgen houdt
en gereed staat, om dien voorraad uit te storten over het
aardrijk. Inderdaad, er dreigt iets.
Hoor, alweer een geraas! Dat is het geluid niet van den
wind en dat van den regen evenmin. Is het van wagens,
die over de straatkeien ratelen? Maar ge zijt immers op
het land en niet in de stad? Het nadert met een oorvei^-
doovend gekletter ....
Het is eene hagelbui, — wee de boekweit van den landman!
De ronde, witte korrels zijn zoo groot als erwten, som-
mige iets grooter. Door koude verstijfde vochtigheid in het
hartje van den zomer, het is wel merkwaardig. De hagel-
korrels maken niet vele plichtplegingen: zij springen gemeen-
zaam op den bol van uwen hoed en, als gij naar boven
kijkt, op uwen neus en huppelen vroolijk om uheen. Laten
ze hun leven genieten; want het is kort — zij komen ter-
stond op vijandigen grond, op het gebied der warmte, en
hier worden zij aanstonds onbarmhartig oVer de kling ge-
jaagd.
Het bliksemen en donderen duurt nog eenigen tijd voort;
maar het wordt toch langzamerhand flauwer — het ver-
andert eindelijk in een flikkeren en gonzen. De wolken ver-
L. LEOPOLD, Leesboekf VIII, 5de druk. 6