Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
Zijn' tanden klapten tegen een,
Zijn wang verschoot, zijn mond werd bleek,
En, waar hij stond of henen week,
Werd het hem even bang als koud. —
Tot voor het vlammend mutsaardhout.
Gedost in pels en wollen pij,
Bleef hem de felste koude bij.
Die, tiots de koestring, woeden bleef
En hem van lid tot lid versteef
Maar wat hem 't hevigst lijden deed,
Was dat hij steeds den jammerkreet
Zijns broeders meende te verstaan:
Ach! laat mij van kou en gebrek niet vergaan.
En voor en achter klonk de stem;
Zij martelde en vervolgde hem
Getrouw de heele woning door
En sneed hem ijsHjk in het oor.
En in het knappend vlamgeruisch.
En in het jagend windgedruisch,
Tot in het huilen van zijn' brak,
Scheen 't hem, alsof zijn broeder sprak.
» Dat was gewis de hand van God
Die d'arme aan zijn vreeslijk lot
Onttrok, meedoogend tot zich nam
En d'onmensch zichtbaar straffen kwam
Voor die afgrijslijke euveldaad.
En dit ook voelde de onverlaat,
Toen hij, bij 'tnad'ren van den nacht,
Vol wanhoop en beroofd van kracht,
Ter neder sloeg gelijk een steen,
Als ijs versteven tot op 'tbeen ....
Want, toen zijn ziel te scheiden stond,
Verroerde hij nog eens den mond
En stamelde, het brekend oog
Zoo steil gericht tot God omhoog;