Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
77
Die mij tot last en oneer strekt
En al de buren stoort en wekt;
Hij zoek' zich elders troost en brood,
Of hij verga van kou en nood.
Dan ben ik van die schande ontslaan;
'k Trek mij eens anders leed niet aan.
Sloeg hem het ongeval ter neer.
Dat hij zijn' toestand dragen leer'. —
Hier kneep hij weder d'oogen dicht.
Maar zie — een ijslijk nachtgezicht,
Een onverklaarbre bange droom.
Die hem deed sidderen van schroom.
Verijdelde zijn' sluimring gansch.
Hij hoorde luider, luider thans
Zijns broeders bibberende stem.
En pijnelijker klonk het hem:
O broeder, mijn broeder!
In naam onzer moeder,
Ik kom hier zoo naakt en zoo hongerig aan;
Gij baadt in genugten.
Ik krimp van verzuchten:
Ach, laat mij van kou en gebrek niet vergaan.
En klam bezweet en aangedaan.
Sprong hij vóór 't kraaien van den haan
Nog uit het zacht gespreide bed.
In 't hart geraakt en heel ontzet.
Zijn haren rezen naar omhoog;
Verwilderd zag zijn vlammend oog,
Nog duizlig van het nachtgezicht.
En, toen hem eensklaps werd bericht,
Dat er bij 't schem'ren van den dag
Voor 't huis een doode bed'laar lag,
Zoo hard bevroren als een paal.
Toen rilde hij om 't bang verhaal.
Een ijskou drong hem door de leen.