Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
73
bijsterd in de honderden wendingen en slingeringen van zijnen
tevergeefs zoo moeielijk gemaakten weg. Zie — hoe ge reeds
de merkteekenen aan hem bespeurt van vermoeidheid en mat-
heid. De ingewanden doen hem pijn. In zijnen hijgenden loop
Iet hij niet meer op de dingen vóór of nevens hem, slechts
trachtende te ontkomen aan die achter hem zijn, en wier
luider en luider wordend gerucht het verbijsterd schijnt toe
te roepen: »Wij naderen! wij komen!" Het hoofd hangt hem
neder en de gespannen neusgaten zijn naar den grond gekeerd.
Al nader en nader komt het verderfbrengend gerucht.
Horens en stemmen schijnen hunne krachten te verdubbelen,
zoowel als de rossen en de honden, wier vermoeidheid nieuwe
kracht schijnt te scheppen uit de verzwakking van het wild.
Zwakker wordthet, zichtbaar zwakker. De keel is reeds bruin
en zonder schuim, de tong ingetrokken. De sprongen worden
hoe langer hoe onvaster; de klauwen zijn nu geopend, dan ge-
sloten en maken een diep spoor en groote strepen in den bodem.
Eene kleine streek, met eiken-opslag bewassen, hoog ge-
noeg van twijgen en loover, om een oogenblik zijne vaart te
verbergen — daar stort zich het zwoegende wild in. Gewis
had het water geroken; want ziet, midden door het hout
stroomt eene snelle, maar ondiepe beek. Een oogenblik dom-
pelt het zich onder, zoo diep het kan, dat het frissche wa-
ter over al de heete leden spat, en nu springt het weder
op en stuift voort, zoo snel het nog vermag, steeds het
midden des waters houdende, totdat het een eind weegs ver-
der weer den wal bestijgt.
Maar de nieuwe list heeft niet gebaat: het oog der jagers
op hunne hooge rossen heeft het dikwerf sidderend gewei
reeds weder spoedig verspied, en de oude honden hebben
zich nauwlijks van het spoor laten brengen. Van alle kan-
ten nadert men, met een sterker, luider geschal en nog
heftiger en driftiger geschreeuw, met feller en vuriger geblaf.
Nu, veel meer nog dan vroeger, moogt ge zeggen: »Arm
wild!"____wanneer ge zelf in den lustigen zwijmel van het
begeesterend jachtgenot niet zijt meegesleept.