Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
F/^
60
In plaats van eene zoldering ziet gij stroobossen, die op lange
palen rusten, die dwars over de dikke eikenhouten balken zijn
gelegen. Die stroobossen zijn daar, evenals achter in de schuur,
tot aan de naald van het dak opgestapeld. Eigenlijk zijn het
roggeschoven, die nog niet zijn uitgedorscht. Ze liggen hier
mooi droog; 't is er vooral niet minder om, als 'twat in
de keuken rookt, en het dure hout voor eene zoldering wordt
uitgewonnen. Ja, vrienden, zoo gij eens ter dege zuinig wor-
den wilt, neemt dan in Drente les, en gij zult ondervinden,
dat er geene betere school bestaat, —En nu de meubels! —
Neen, zoo ver zijn wij nog niet. Ik verzoek eerst nog een
oogenblik attentie voor die muren en wat hen versiert. Die
wanden zouden zeker heel wit zijn, indien niet bij de laatste
huisschoonderij de witster met kwistige hand het lakmoes
in hare witkalk had gestrooid; nu zijn ze, gelijk gij ziet,
zoo tamelijk blauw. Maar dat hindert niet, te minder, door-
dien de wanden nagenoeg geheel met allerlei dingen bedekt
zijn. Eerst trekt daar boven, een weinig beneden de zware bal-
ken , die richel aan den muur uwe aandacht, die, in het geheele
vertrek rondloopende, eene menigte blinkende groote koperen
en tinnen tusschen witte en blauwe schotels draagt, 't Zijn
echte renteniers, die schotels, ze worden nooit gebruikt en
doen niets dan hunnen glans en hunne heerlijkheid dag aan dag
ten toon te spreiden. Wat lager, in de vakken, die de meubels
aan de wanden openlaten, ziet gij hier eene ouderwetsche stoel-
tjesklok en daar ginds nog eene dito, waarvan al het koperwerk
zoo blank is geschuurd, dat het den hoogsten graad van glans
heeft verkregen. Over 't geheel is 't een karaktertrek van de
Drentenaren, dien zij echter met meer plattelandsbewoners ge-
meen hebben, dat zij gaarne veel blanks en blinkends om zich
zien. Daar weer ziet gij aan den muur het paar beste wagenge-
reiden hangen met daarbij behoorende hoofdstellen, bitten
en teugels. Ge zoudt misschien die dingen van daar en naar
den stal doen verhuizen, lezer; maar *t zou slechts een bewijs
te meer zijn, dat de Drentsche zuinigheid de uwe ver overtreft.
Mijn tijd, daar achter op de deele of bij den stal hingen die beste