Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
gerust bezit van het recht van gemeenzaamheid, 't welk
hij zich in den beginne met eene drieste stoutmoedigheid
heeft aangematigd. Hij dringt er zich zonder den minsten
tegenstand hoe langer zoo dieper in. 't Wil van hem gedaan
zijn; zijne onbedachtzaamheid geeft aan zijne ruwe manieren
iets levendigs en natuurlijks, dat zelfs naar beminnelijkheid
zweemt. Weldra wordt hij een gunsteling en zal binnen
kort eenen eerepost verkrijgen, waarnaar hij vruchteloos al
zijn leven gedongen zou hebben, zoo eene goede opvoeding
hem aan eene omzichtige bedachtzaamheid had gewend en
hem geleerd had, zijne vroolijkheid aan de wellevendheid
te onderwerpen. Justus van Effen.
26. - DE KONINGSSLANG OP CEYLON.
Wie is de schrik der bergen van Wellaponahoy ? — Wie
doet den reiziger angstig zijnen weg vervolgen in het uit-
gestrekte woud van Jalé? — Het is de vreeselijke pambou-
rajah, de geschubde koningin der slangen! — Hare reus-
achtige lengte is als een twintigjarige palm, die zich welig
aan de zandige boorden van eenen snelvlietenden stroom
verheft, haar omvang als de gladde stam van den panam;
evenredige zwarte vlekken loopen over den schubbigen rug,
en de wijde kaken zijn gewapend met zagende tanden; haar
geblaas is als het ruischen van een palmboom in den storm;
en wolken van giftigen damp stijgen uit de diepe keel.
In tiendubbele bochten hangt zij over den laagsten tak
van eenen machtigen boom en loert op prooi; de vluchtige
ree, die onder haar bereik graast, is een lichte buit; de
verscheurende tijger zelfs spartelt tevergeefs: zijne scherpe
klauwen en tanden baten hem niet, noch de luchtigheid
van zijnen sprong, noch zijne radde leden. Vaak verrast
zij hem, als hij bij het verbleeken der sterren vergenoegd van
zijne nachtronde met uitgedijde zijden en bebloeden muil
naar zijn hol terugkeert en zonder vrees voor gevaar onder
het gapende monster voorttreedt. Snel als de straal des