Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
men klaagde jammerlijk over den ramp, totdat men eindigde
met de vraag: »Och, God, wat nu gedaan!"
öKom, kom," zeide Trien met besluit, »het ongeluk is
zoo erg niet. Ik was toch van zins den brief opnieuw te
schrijven: want in het eerste ging het toch niet goed; de
letteren waren te groot, en het geschrift was te krom. Nu
zal ik het wel beter doen: ik heb er moed op gekregen.
Laat mij maar eens gauw naar het dorp loopen om papier
en inkt en om mijne pen eens te laten vermaken; want ze
is al veel te slap geworden.
»Wel, ga dan gauw, kind," was het antwoord, »daar
hebt gij een vijffrankstuk. Laat dit eens wisselen bij den
koster; want we zullen onzen armen Jan toch ook wat
moeten sturen. — Pauwke, op! ten huize uit en kom nog
terug voor den avond, zoo gij durft!"
Trien snelde de deur uit en liep met eenen lach van te-
vredenheid op het gelaat in de richting van het dorp. De
zegepraal, die zij had behaald, de overtuiging, dat zij voort-
aan aan Jan zou kunnen schrijven en bovenal eene soort
van hoogmoed over hare kunde, ontstelde haar hart van
zoete vreugd.
De blief werd niet geschreven. Ondenveg ontmoette ze den post-
bode, die haar eenen brief overhandigde, geschreven door eenen
vreemde, en waarin treurig nieuws voorkwam. Jan leed aan eene
oogziekte, zoo erg, dat er groote vrees bestond voor het verlies van
beide oogen. Groote verslagenheid maakte zich meester van hen,
die hem zoo lief waren. Trien is de eenigste, die dadelijk op redding
peinst en heldhaftig besluit, haren Jan, hoe ver hij ook woont,
op te zoeken, hem te verzorgen en te verplegen en, kan het zijn,
hem in de armen zijner moeder te voeren. En wat ze besloot,
volbracht ze; met groote moeilijkheden moest ze kampenj maar
het loon, dat haar werk bekroonde, was nog grooter. Jan wei-d
uit den dienst ontslagen, en, ofschoon hij e'én oog verloor, hij werd
toch niet blind, zooals eerst allen vreesden. Jan Braams en Trien
trouwden niet lang daarna, en, toen de schrijver van dit verhaal
hen leerde kennen, «dartelden drie kinderen rond hen en streelden
hun dagelijks het zweet van het voorhoofd.'"'
Conscience.