Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
zeide de moeder, »zet dan nog liever Jan, kort af." —
'üBeminde Jan F vroeg de maagd. — »Ja, zoo is het goed,"
antwoordden de anderen te gelijk, als verblijd over de oplos-
sing van dit lastige raadsel. — »Eh wel, blijft dan altemaal
van de tafel," riep de maagd, »en houdt Pauwken van mijn
lijf, dat hij mij niet stoote!" — Het meisje begon den arbeid.
Na een oogenblik stonden reeds de zilte zweetdruppelen
op haar voorhoofd te glinsteren; zij hield haren adem in
en gloeide op het aangezicht. Welhaast ontsnapte een lange
zucht uit hare borst, en, alsof zij zich van eenen zwaren
last verlost gevoelde, zeide zij met blijdschap: »Oef!
die ^ is nog de moeielijkste letter van altemaal! Maar nu
staat ze er toch met haren langen kop!" — De vrouwen
richtten zich op en blikten met verwondering op het letter-
teeken, dat ten minste zoo groot was als het lid van eenen
vinger. — »Dat is aardigi" riep de moeder van Jan. »Het
is zoo een ding, gelijk eene wesp, — en dat wil zeggen
Beminde Jan!F Schrijven is toch schoon; ge zoudt bijkans
zeggen, dat er tooverij onder steekt!" — »Kom, kom, laat
mij voortgaan," zeide Trien met moed, »ik zal er wel uit
geraken. Dat die pen maar niet zoo sprinkelde!" — Trien
werkte al hijgend en zweetend voort. De grootvader kuchte
en hoestte; de vrouwen zwegen en durfden zich niet ver-
roeren; het broerken was bezig met zijnen vinger in den
inkt te doopen en zijn bloot armken vol zwarte plekken te
stippen. Wanneer, na eene wijle tijds, de eerste regel vol
groote letteren stond, staakte het meisje haren arbeid. —
Wel, Trien, hoe verre zijt gij al?" vroeg de moeder van
Jan. »Gij moet eens lezen, wat gij daar altemaal op het
papier hebt staan." — »Wat zijt gij toch haastig," riep
Trien, »daar staat nog niets anders dan beminde Jan, Mij
dunkt, dat het al wel is. Zie maar eens; hoe het zweet mij
uitbreekt! Ik haal nog liever den mest uit den stal! Gij
denkt zeker, dat schrijven geen arbeid is?" — Pauwken,
blijf van den inkt, of ge smijt het koppeken nog om." —
»Wel, ga dan maar voort, meisken," bemerkte de grootvader,