Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
met zijne gezondheid gaat, en, als dat er staat, zullen wij
er allengskens wel wat bij doen."
»Neen, kind," zei de andere weduwe, »schrijf eerst, dat
gij de pen in de hand neemt, om te vernemen naar den
staat van zijne gezondheid. Zoo begon de brief van Peer-
Jans Tist ook, dien ik gisteren bij den meelpelder heb hooren
lezen." — »Ja, dat zegt de kloonmakers Kaat ook; maar
ik doe het toch niet; want het is veel te kinderachtig,"
sprak de maagd met ongeduld. »Jan zal toch van zelf wel
weten, dat ik met mijne voeten niet kan schrijven!"
»Zet maar eens eerst zijnen naam boven op het papier,"
zei de grootvader. — »Welken naam? BraamsF —»Bijlange
niet — Jaw.'" — »Gij hebt gelijk, vader," antwoordde de
maagd. »Ga weg. Pauwken, doe uwe armen van de tafel.
En gij, moeder, zit wat achteruit; want, zij zeker gij zult
mij stooten." — Zij bracht de pen op het papier, en, ter-
wijl zij naar de plaats zocht, waar zij schrijven zou, spelde
zij met stille stem den naam van den afwezigen vriend. —
De moeder van Jan stond eensklaps recht en greep de
hand der maagd, zeggende: »Wacht eens wat, Trien. Dunkt
u niet, dat Jan alleen niet goed is? Zoo kort afgebeten!
Daar zou iets bij moeten zijn. Zoudt gij niet beter doen met
te zetten: beminde zoon of kindlief — Deze woorden hoorde
Trien bijna niet; zij was bezig met het papier af te lekken
en riep half verstoord: »Zie, dat komt er nu ai van! Eene
groote klad op het papier, en er helpt geen lekken aan;
het gaat er toch niet uit. Ik zal het andere blad maar
nemen." — »Wel, Trien, wat zegt ge er vdjv'l Beminde zoon ^
dat is immers veel schooner?" — »Neen, dat wil ik ook
niet zetten," morde Trien spijtig. »Kan ik nu aan Jan gaan
schrijven, alsof ik zijne moeder ware?" Maar wat zult ge
dan schrijven?" — Een lichte schaamteblos beklom het
voorhoofd der maagd, terwijl zij antwoordde: »Dat wij
eens schreven: Uwe vriend? Vindt gij niet, dat dit nog het
schoonste is van al? — »Neen, dat wil ik nu ook niet,"
Klompenmaker.