Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
aan het gekke figuur, dat zijn gevel maakte, zoodat hij in
't gezelschap zijner vrienden volstrekt geen pleizier had en
's nachts er niet van slapen kon. Ja, toen hij eindelijk
wat insluimerde, droomde hij van niets dan van kleine glas-
ramen, die de groote inslikten en er toch niet grooter van
werden, evenals de zeven magere koeien in Farao's droom,
's Morgens ijlde hij weer naar zijnen getrouwen vriend, den
timmerman, en klaagde zijn leed. Maar deze kon hem geen
anderen raad geven, dan dien hij zelf ook wel wist, name-
lijk: al die kleine raampjes te laten uitbreken en er groote
voor in de plaats te laten zetten. Wat was er aan te doen;
't kostte zeker eene heele hand vol geld; maar de man be-
greep, dat hij nu toch door den zuren appel moest heen
bijten en hij bestelde de ramen. De timmerman maakte
hierbij nu echter de opmerking, dat de oude puntgevel al
heel leelijk bij al die groote ramen zoude afsteken, dat, als
men nu toch eenmaal aan 't veranderen was, hij hem als
goed vriend zoude aanraden, dadelijk ook eene kroonlijst op
zijnen gevel te laten zetten, dan ging het nu in ééne drukte
en ruzie door. De man beaamde dit ook en dacht: kom ik
over den hond, dan kom ik ook wel over den staart, en
de gevel-vertimmering begon. Dan — 'tis zonderling met
het timmeren. Als men 't eene laat maken, moet het andere
ook wel gemaakt en veranderd worden; want men wil toch
ook om een weinig kosten meer den geheelen boél niet
bederven. Bij de nieuwe ramen en den nieuwen gevel stak
de ouderwetsche deur al te leelijk af, bij de mooie nieuwe
paneeldeur paste de scheltrekker volstrekt niet, en bij den
mooien, nieuwen scheltrekker en de fraaie deur kon de
stoep onmogelijk zoo blijven. Eindelijk was dit alles gereed,
en de man had het genoegen, dat de voorbijgangers zijn
huis bewonderden en hem niet meer zooals vroeger eenvoudig
bij zijnen naam of Mons noemden, maar nu den hoed lichtten
en deftig Mijnheer zeiden Mijnheer! Mijnheer!—ja dat klonk
heel mooi; maar Mijnheer kon toch ook onmogelijk zulke
eenvoudige kleêren blijven dragen als tot nu toe. Foei, de