Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
sehen het lijdelijk wachten van eenen wissen dood of het
werkend worstelen met eenen anderen, die dreigt.
O! het moet iets vreeselijks zijn, dus verloren te gaan als
in den mond van de haven, geheel het doel van den langen,
verren tocht mislukt te zien op het oogenblik zelf, dat het
bereikt scheen, als in den schoot der veiligheid door den
uitersten nood overvallen te worden, de dierbare, de lang
verlangde kust eindelijk voor zich te zien en te moeten
wanhopen haar ooit te bereiken — verloren te gaan als
onder het oog van het toeschouwende vaderland, dat geen
anderen welkomstgroet heeft voor die ongelukkigen dan de
rouwklacht van het medelijden, en waarop zij geen ander
antwoord hebben dan een geroep om hulp, dat hol en ake-
lig klinkt over de wilde baren heen.
A, L. G. Bosboom-Toussaint.
9. - KLEINIGHEDEN.
NOOD.
De nood is voor het hart een vuur
Waar ijzer in verstaalt:
Wie man is, beeft of wanhoopt niet.
Maar valt of zegepraalt.
J. de Geyter.
op den mensch.
O Sterfling, die, geschikt om eindeloos te leven,
Den dood in 't leven vindt of 't leven in den dood,
Ten afgrond dartiend snelt of lijdend werd verheven,
Gij zijt verachtelijk klein of onbegrijplijk groot.
F. van Steemvijk.
hoogmoed.
De eik wil groot zijn: en daarom verheft hij zich boven
de andere boomen, Eene woekerplant wil ook groot zijn: en
daarom hecht ze zich aan den eik vast, zuigt hem uit en
poogt hem neder te halen. Ziedaar een beeld van den edelen en
van den lagen hoogmoed.
Jan Fergiiut.