Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
121
van het habijt^) was gestoken, bewees het musket, dat op
dit oogenblik achteloos over den schouder hing. Ginds trof
het wambuis, van het fijn lakenen des gegoeden poorters
tot het grof saaien van den huisman, het oog, terwijl een
koppel pistolen in den lederen gordel en een ijzeren kap op
het hoofd prijkte. Verder ontmoette men rijker en bonter
dos, zelfs den opstaanden kraag des Spanjaards, den flu-
weelen mantel, rok en korte, gedofte broek van dezelfde
stoffe, doch eene heirbijl in de vuist en den bekenden dolk
en pistolen in den gordel. Maar hoe verscheiden dekleedije,
hoe verschillend de wapening ook, één wapen behalve het
musket hadden allen gemeen en hielden zij te dezer stede
geheven: het was de lange, halve piek, die als polsstok en
spiets gebruikt en daarom springspiets genoemd werd. De
spiets fonkelde thans in de zonne en deed eenen kring van
gouden vonken speuren boven de groep, waarover de prin-
senvlag heenwoei, in wier middelste baan het wapen van
Entens prijkte met'het devies^): Frolijk mit eeren.
Entens zelf droeg een wambuis en broek van zwart laken,
en zijne geheele kleedij zoude die donkere kleur hebben
getoond, ware de gordel niet van bloedrood geverfd Ieder,
de zwarte, breed gerande, hoed niet met eene roode veder
getooid en de voering van het wambuis van dezelfde kleur
geweest, hetgeen bij elke beweging, die de slippen van
het wambuis deed opwaaien, bespeurd werd. Hij gaf aan
het geheel iets woests, iets wreeds, welke indruk dan ook
door het gelaat niet werd tegengesproken of verzacht. De
bronskleur sprak van ontbering en volharding, de lijnen om
neus en mond, hier gehoogd tot plooien, ginds tot rimpels
gediept van pijn en ellende, de wangbeenderen, de harde
trekken, de geheele gezichtsvorm van grofheid en ruwheid,
terwijl de rusteloos zwervende oogen, die vaak wisselden
van tint, getuigden van een vuur, gloeiende onder eene
ijskorst van hartstochten, welke, eenmaal opgewekt, die van
') Kleed. Zinspreuk, leus.