Boekgegevens
Titel: Leesboek voor de volksschool
Deel: Dl. 8 Bonte steenen
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1875
5e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201247
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
lOl
daar moet ik 'reis eene klucht van hebben, — en wat deed
hij? — hij sloeg hun eens eene wandeling naar het strand
voor, — 't was juist geen best kuierweêr: want het woei,
dat men pas op zijne beenen staan kon, — evenwel de ge-
dienstige hovelingen vonden het slechts wat luchtig en juist
het ware weer, om zich aan't strand te vermaken. Maar wat
deed de Koning? — hij liet door eenige pages zijnen mooien
stoel, waarop hij in zijn paleis zat, als hij raadsvergaderin-
gen hield, van zijnen troon afnemen en hem onder het wan-
delen achterna dragen. De hovelingen dachten al zoo bij zich
zelven: wat is dat nu weer voor eene kuur? Doch de koning
kwam hen vóór met te zeggen: dat hij dat deed om een wei-
nigjen aan 't strand te zitten en een zeeluchtjen te scheppen.
»0!" was het toen, »heer Koning, een kostelijke inval! wat
is 't jammer, dat ons dat ook niet ingevallen is! Juist! juist!
zoo'n zeeluchtjen is alleraangenaamst!" — Inmiddels had-
den zij werk om elkander op de been te houden, wijl het
lieve zeeluchtjen hunne mantels en hoeden zoo aangenaam
streelde, dat zij gedurig tegen elkander aanbonsden en moeite
hadden, om, al hijgende, hunne mooie woorden uit te stot-
teren. De groote statiemantel van koning Knoet vloog inmid-
dels als een zeil vooruit. Eindelijk werd de goede man zelf
zoo moê, dat hij zijnen mooien stoel zoo goed als hij kon,
wat tegen den wind in, aan den oever der zee liet plaatsen,
en daar ging hij toen op zijn gemak wat zitten te redeneeren
over het mooie en ruime uitzicht. Inmiddels kwam de vloed,
en de golven, die door den wind al vrij hol gingen, kwamen
hem al zoo wat tusschen en over zijne schoenen bruisen. De
hovelingen kropen toen al zoo wat achteruit en zoo wat
achter zijnen stoel; maar, eindelijk ziende, dat het ook hunne
beurt zoude worden en dat de koning al zoo nat als eene
kat werd, zeiden zij: »heer Koning! willen wij niet wat
teruggaan? de vloed komt sterk op, en dat koude zeewater
zal u nadeelig zijn!"—»0 , dat is niets," antwoordde Knoet,
»als de zee u hindert, zal ik haar wel gebieden wat terug
te gaan."— Daarop begon hij te roepen: »terug, voor den