Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
„Ik haal het voor u," riep Frank en wilde hem voorbijgaan; maar
zijn vriend wees hem met de hand terug.
„Van Schafifelaar!" riep Frank, de handen vouwende; maar de aan-
voerder zeide gestreng: „Ik wil gehoorzaamd zijn!" en vervolgde vrien-
delijk: „Zijt gij geen man van mijne bende meer. Frank! dat gij u
tegen uwen aanvoerder en vriend verzet?"
Moedeloos liet de jonge ruiter het hoofd vooroverzakken en trad
terug. „Zoo is het wel!" zeide Van Schafifelaar aangedaan, hem met
de hand op den schouder slaande, en hij beklom de trap. Zijne rui-
ters zagen elkander aan; maar Frank hield alleen het oog naar boven
gewend; hij zag den aanvoerder op den omgang komen en naar de
voorste zijde van den toren gaan; hij zag, hoe hij het schild, dat aan
den riem hing, losmaakte, met de hand over de kleuren van het wapen
streek en het voorts om den hals hing! Toen zag zijn vriend naar hem
en knikte hem vriendelijk toe. Frank schepte weder adem; maar daar
richtte Van Schafifelaar zich op; zijn oog was vol edele geestdrift, ter-
wijl het over zijne ruiters ging; zijne stem was aangedaan, maar vol
vuur; hij riep: „Mannen! ik wil u in geen' last brengen, ik moet
toch eenmaal sterven!" en wenkte hun als het ware zijn laatst vaar-
wel toe.
„O God! Van Schafifelaar!" gilde Frank en snelde naar boven; de
ruiters volgden hem, zoo machteloos, als zij waren; doch zij konden
geen woord uitbrengen. Toen Frank bijna boven aan de trap was,
zag hij, hoe zijn vriend op de borstwering van den omgang stond. De
zon deed de gladde wapenrusting schitteren, de witte vederbos werd
door den wind licht bewogen, en het wapenschild hing op zijnen rug.
Het hoofd fier opgeheven, stond hij daar, als een metalen standbeeld
van den edelsten vorm: toen zette hij de handen in de zijden en riep
luid en vol moed: „Hier hebt gij Jan Van Schakelaar!" — en sprong
van den toren....
Het was, alsof er een bliksemstraal naar beneden schoot, of een
hemelsch ridder van den trans de aarde naderde; want schitterende
stralen werden teruggekaatst door het blinkende harnas.
De aanvoerder draaide niet in den vreeselijken val: het hoofd van
Jan Van Schafifelaar, de witte pluim bleef altijd hemelwaarts gericht;