Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
naar zijn besten wiend Frank, die met de armen over elkander stond,
alsof alle denkvermogen hem verlaten had: „Gij hebt gehoord, wat
Perrol verlangt, hij vordert nog altijd mijn leven...."
„En gij zult het monster voldoen, om ons..." viel Frank hem in de
rede, en zijne oogen stonden wild in het hoofd; maar Van Schaffelaar
liet hem niet uitspreken en vervolgde fier: „Ook gij, Frank! zijt mij
gehoorzaamheid verschuldigd: laat mij spreken. Ik alleen beschik over
uw aller leven; want gij hebt mij trouw gezworen. — Mannen! hetgeen
gij voor mij gedaan hebt, kan ik nimmer vergelden; ontvangt mijn
oprechten dank. Wij zullen allen den toren verlaten; zet daarom de
helmen op, en houdt uwe zwaarden gereed; de SchafFelaars moeten
niet wapenloos zijn, als zij onder hunne vijanden verschijnen."
„Leve Van Schaffelaar!" riepen zij allen; zij raapten de helmen op
en grepen de schilden aan. 't Was, alsof hunne krachten herleefden, nu
zij den laatsten strijd te gemoet gingen; zelfs Frank vatte weder hoop.
Toen zeide Van Schaffelaar: „Het lot, dat ons wacht, zal den een
mogelijk niet toelaten, te zien, waar de ander blijft; drukt daarom hier
elkander voor het laatst de hand en zegt elkander een laatst vaarwel!"
Hij zelf noemde eiken ruiter bij zijnen naam, dankte hem nogmaals
en gaf hem de hand. Toen hij Frank de hand schudde, welke in de
zijne beefde, zeide hij bedaard: „Houd goeden moed, mijn vriend! de
dood is niets! maar...."
Van Schaiïelaar sloeg zijn gewapenden arm om den ruiter, drukte
hem tegen zijne borst en riep: „Vaarwel, Frank!"
„Maar wij scheiden nog niet!" riep Frank, op zijn zwaard slaande,
terwijl hij het schild omhing, „eerst moeten nog de Zwarte Ruiters
uw....." Doch hij zweeg; want Perrol riep luid: „Waar blijft Van
Schaffelaar?"
„Ha! hij zal komen," schreeuwde Frank. „Nu gaan wij immers?"
vroeg hij met drift.
„Ja!" zeide Van Schaffelaar, die nabij de trap stond, zijne wapens
in orde bracht, den helm terechtzette en met deernis de zwakte zijner
ruiters zag. „Houdt u allen gereed; wij verlaten den toren; maar het
schild met mijn wapen kan ik niet achterlaten, het moet mij in den
dood vergezellen!"