Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
eens zoo boos gemeend, het huis had verlaten. Het horloge brandde
hem in den zak. Hij kon, hij wou het niet langer houden. Weer vatte hij
een ander plan op. In den hoek, waar hij had gezeten, had hij een
vuurslag zien liggen; hij liep terug, om het te halen: gelukkig had
hij ook eenen zwavelstok. Stilletjes ging hij in de schuur, sloot de deur
achter zich toe en sloeg vuur. Toen de zwavelstok brandde, hield hij
hem omhoog, om den spijker te vinden, waaraan Andries 's morgens
vroeg de lantaarn hing, als hij vóór 't aanbreken van den dag begon
te werken. Hij hing het horloge daaraan, blies den zwavelstok uit
en vertrok weer even zacht, als hij gekomen was. Hoe ruim was nu
zijn hart: hij sprong over de sneeuw, als een kind.
Daags daarna hoorde hij, dat de schuur was afgebrand. Het liet
zich denken, dat hij in zijne gemoedsbeweging den zwavelstok niet
goed had uitgemaakt, en zoo was hij dus schuldig aan het onheil
Dat maakte hem zoo verslagen, dat hij, als een zieke, te bed moest.
Daar begon hij te ijlen, — de menschen bij hem in huis dachten,
dat hij niet wel bij '-t hoofd was. Maar 's avonds ging hij uit het bed
en liep naar buiten, 't Was helder weer: de maan scheen, en Bart ging
naar de plaats, waar de schuur gestaan had, en hij grabbelde en zocht in het
puin, totdat hij wezenlijk een kleinen goudklomp vond — het horloge.
Daarmee in de hand wilde hij zijnen broeder verklaring geven.
Maar wat gebeurde?
Een klein meisje had hem in het puin zien krabben, eenige jonge-
lieden hadden hem den vorigen Zondagavond over het heem van An-
dries zien gaan; zijne eigen huisgenooten vertelden, hoe wonderlijk
hij zich dien dag had aangesteld, en, daar nu ieder wist, welke bittere
vijanden de beide broeders waren, werden al die dingen bij het gerecht
verhaald, en Bart moest voor de rechtbank komen.
Hij ontkende alles. Niemand kon hem ook iets bewijzen; maar ver-
dacht werd hij toch, en daardoor kon hij nog minder, dan ooit, zijnen
broeder naderen.
Andries had aan Bart gedacht, toen de stal brandde, maar niets
gezegd. Toen hij hem nu den avond daarop bleek en ontdaan zag bin-
nenkomen, dacht hij dadelijk, dat het berouw hem vervolgde; voor
zoo'n slechte daad, aan zijn' eigen broeder begaan, zou hij echter