Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
Andries dacht: zoo mag mijn broeder in tegenwoordigheid van vreemden
toch niet den spot met mij drijven, en hij bood hooger. Toen lachte
Bart, en hij riep smalend: „Honderd gulden en mijn broederschap er
bij!" draaide zich om en verliet het vertrek.
Eenige oogenblikken later kwam een man hem achterna met de bood-
schap : het horloge is voor u, uw broer heeft toegegeven. Toen Bart dat
hoorde, ging hem een gevoel van berouw door 't hart: hij dacht aan
zijnen broeder en niet aan het horloge. Hij was reeds bezig, om zijn
paard te zadelen; — maar nu draalde hij, niet wetend, of hij gaan of
blijven zou. Daar kwamen vele menschen naar buiten; ook Andries was
onder hen. Hij zag zijnen broeder naast het gezadelde paard staan en
kon niet weten, wat er op dat oogenblik in diens hart omging.
„Geluk met het horloge, Bart!" riep hij op schamperen toon. „Ge
kunt lang uitzien naar den dag, waarop ik het u uit den zak zie halen."
„En gij naar den dag, waarop ik over uwen drempel treed", riep
Bart, bleek van woede, en toen sprong hij in den zadel.
Het huis, waarin ze samen met den vader gewoond hadden, werd
door geen' van beiden weer betreden.
Kort daarna trouwde Andries, en hij trok in eene kleine boerderij;
maar hij had Bart niet ter bruiloft verzocht. In het eerste jaar van zijn
trouwen werd zijne eenige koe plotseling in de weide doodgevonden;
niemand begreep, waaraan ze gestorven was. „Dat heeft iemand ge-
daan, die mij niet veel goeds gunt!" zei Andries en werd droevig te
moede, 't Ongeluk scheen hem voortaan te vervolgen: kort daarna
verloor hij al zijn geld in den paardenhandel; hij werd arm en verloor
den lust tot het werk.
Daar stond Bart op zekeren avond in zijne kamer. Toen Andries
hem binnen zag komen, sprong hij op: „Wat moet ge hier?" vroeg
hij, zweeg dan en bleef staan en staarde zijnen broeder aan: Bart
draalde met het antwoord.
„Ik wil u hulp aanbieden, Andries! het gaat u niet goed."
„Het gaat mij, zooals gij het mij gegund hebt, Bart! Ga uit mijn
huis, of ik weet niet, of ik mij zeiven wel meester blijf!"
„Andries, gij dwaalt, ik heb berouw........"
„Bart, ga heen, of God zij u en mij genadig!"