Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
piepend en schreeuwend heen en weer. Waar bergen ze zich in zulk
een noodweer, aan welken vuurhaard drogen ze hun gevederd rokje?
Aan het vuur der gastvrije, rijke zon; doch morgen eerst, misschien
overmorgen, — tot zoolang moeten ze wachten en bibberen in hunne
natte kleeren.
Onder alle luchtstreken is de lente schoon; maar in het zuiden is ze
betooverend schoon: daar brengt ze den mensch in geestdrift en opge-
togenheid. De vogels beginnen te zingen, ze ontboezemen hunne
vreugde in jubelende tonen en rusten dan weer een oogenblik, alsof
ze eenig antwoord wachten uit het stille woud. Hoor, daar klinkt het,
en met vernieuwden lust stemt de een na den ander in, tot alle
hunne liederen samenmengen tot één heerlijken wildzang. De groen-
gerokte kikvorschen vieren feest in de naburige slooten. Ook zij
behooren tot het groote orkest der natuur, wier schouwtooneel weer
geopend is, ofschoon de deuren voor altijd schenen toegegrendeld.
Welk een levendig genot smaakt alles in den lentetijd! Welk eene
vreugde spreekt er uit al ons doen en laten! De menschen zijn druk
bezig in hunne tuinen: men ziet het; maar men ruikt het bovendien
aan den eigenaardigen geur der versch omgegraven aarde! De bloesems
der kerseboomen prijken aan de takken: ze zijn zoo zuiver wit, als pas
gevallen sneeuw; een korte tijd nog, en de huizen der naaste buren
zullen geheel verscholen zijn achter een dicht gordijn van bladeren.
Het lelietje-der-dalen opent zijn zacht, aanminnig oog. De kinderen
dartelen in tuinen en velden. En de kleine meisjes blazen met alle
macht tegen de wollige kopjes der paardenbloemen, om te zien, of ze
zoo'n „kaars" in eens kunnen uitblazen, — en ze tooien zich met de
kettingen, die ze uit de stelen der bloemen vervaardigd hebben.
En des nachts is de lucht zoo onbewolkt en stil! Geene stem van
eenig leVend wezen — geen geritsel van takken of bladeren — geen
gesuis of geruisch van den wind — geen geluid in het ronde, noch
omlaag, noch omhoog! En daarboven is de blauwe hemel uitge-
spannen, schitterende van ontelbare, flonkerende sterren, gelijk de
omgekeerde klok eener blauwe bloem, met gouden stof bezaaid. Of,
zoo het uitspansel duister en zwart is, dan is het van wolken, die, als
een zachte, vruchtbare regen, nedervallen. Dan begeert men niet te slapen,