Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Maar hedenavond is het hem toch bar genoeg, en hij rept zich voort,
om onder dak te komen.
Plotseling houdt hij stil met een „Wat zeg je?" — Links van hem,
ergens in de diepte, om den hoek van een huis, heeft hij een ge-
kreun vernomen. „Och! men lieve Meneertje!"
Ook heeft hij iets zich zien bewegen, 't Schijnt wel. dat er in dien
hoek eene mand met vodden staat (indien men dien vormloozen hoo]5
lompen en doeken ten minste eenen naam wil geven), waaruit zich
iets loswikkelt en afscheidt. — „Ach! men lieve Meneertje!"
Mijn vriend Jurjens staat stil: zóó diep droevig, zóó wanhopig
weemoedig heeft hij nog nooit eenen toon vernomen. —„ Wat zegje?"
't Hoopje lompen, dat zich afscheidde, blijkt een kind te zijn, een
meisje van een jaar of vijf; de grootere hoop, die in den hoek opgetast
bleef, zal zeker de moeder wezen, van welke zich, als 't noodig is,
nog wel een ander vormloos hoopje, een wicht van anderhalf jaar,
kan loswikkelen. Maar 't is ditmaal niet noodig, bij onzen goedigen
reus niet, en de groote hoop blijft verder in zijn geheel.
Op zijne vraag ontspint er zich tusschen vrouw en kind een beurt-
zang vol ellende. Een vader, maandenlang bedlegerig, kinderen, door
koorts uitgeput, in drie dagen geen brood, geen vuur, geen licht —
neen, het kleine wicht behoeft niet op te komen, omvriendjurjens,
den reus, te vellen. — „Wel, wel!" zegt hij, en hij krabt zich achter
't oor. (Wat ziet dat kind met haar droefgeestig gezichtje er allerliefet
uit!) „Och Heere!" zegt hij, en zijne hand grabbelt reeds in den zak.
Wat zij er uit ophaalt, verklappen wij niet. Vriendjurjens' kleingeld
is, zonderling genoeg, altijd op of niet te vinden, wanneer hij fooien
geven of bedelaars te woord moet staan. Zooveel weten wij, dat
al de zegeningen van aarde en hemel over het hoofd van het „lieve
Meneertje" worden uitgeroepen. Met een „Nou ja! dat weten wij al lang"
stapt het Meneertje van zes voet verder. Om de waarheid te zeggen,
doet het hem toch goed, die woorden van dank te hooren, „die hij al
lang weet."
't Is hem licht om het hart. 't Is, of er iets warms in zijne keel is.