Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
23- — ook een treurspel.
Schuins over mijne woning stond een paard voor eene kar te slapen.
Het was een Amsterdamsch sleeperspaard op zijne nadagen en vóór den
tijd versleten. Dien dag was het werk — de klamme huid van het
beest droeg er de sporen van — zwaar geweest, en, terwijl de kar
gelost werd, was het ingedommeld.
Toen de kar ledig was, schopte de sleepersknecht zijn paard, om het
te vvekken, met zijne zware laars tegen den bek.
„Niets bijzonders!" — Och, zeg het niet; laat mij gelooven, dat bij
het zien van het feit geen straatjongen grinnikte, dat het zestienjarig
dametje, dat voorbijging, wel degelijk tot in hare ziel bedroefd en ver-
ontwaardigd werd, — kortom, dat het wel niet iets zeldzaams, maar
toch altoos iets bijzonders was. 't Is op zich zelve al treurig genoeg.. . .
Het arme paard was moe. Anders zou het niet ingedut zijn: een
beest veinst niet. En waarom zou het dat oogenblik van rust niet....
rusten ? Was er eenige wet, die 't verbood ? Zijn meester straft hem dan
ook niet: hij wekt hem alleen. Een klank van zijne gevreesde stem, een
rukje aan den teugel, een „Kom, oude jongen!" zou minstens even vol-
doende geweest zijn voor het doel. Maar hij deed nu eenmaal zóó.
Hij schopte zijn trekdier tegen den bek.
Op, hoog in de hoogte vliegt de hangende kop van het verschrikte
dier. Onmiddellijk voelt het den teugel, en het denkt aan geen verzet.
Met groote vlugheid zet het zich in beweging. „Zoo'n opfrissching maakt
ze fleurig!" Fleurig inderdaad! Het beest ziet er niet uit, of het den
kamp tegen zware karrelasten en tegen de hooge bruggen der hoofdstad
lang met „fleurigheid" zal volhouden. Nog eenige maanden van toe-
nemende slaperigheid, leelijkheid en dofheid, maanden, waarin geene
vriendelijke hand het beest aanmoedigend op den mageren hals klopt,
maar mindere kracht door meer schoppen met hunne oogenblikkelijke -
„tierigheid" wordt vervangen, en dan volgt de paardenrust van niet-zijn.
Het treurspel is uit
Niets bijzonders?