Boekgegevens
Titel: Stofgoud
Serie: Leesboek voor de volksschool, 7
Auteur: Leopold, L.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1884
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6022
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201234
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Stofgoud
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bladz.
zooals het oud-Hollandsche spreekwoord zegt: „Bloó Jan — het eerst
doó Jan" , onze lafaard en zijn luitenant, al even dapper, als hij, beiden
lagen weldra onder den voet. Het volk, niet gewoon te vechten, liep
van schrik dooreen en wilde het schip aan den vijand overgeven;
maar toen greep baas Jan de lont en riep woedend uit: „Dat zal nooit
gebeuren, ik ben uw kapitein, en, als gij vechten wilt, zullen de
Engelschen ongenadig worden afgerost, — zoo niet, dan gaat het schip
de lucht in!"
„Vivat Jan de Lapper, vivat onze kapitein!" riepen de matrozen en
togen onder zijn commando, als leeuwen, aan het werk. Jan bracht
zijn schip tusschen twee Rngelsche schepen in, schoot het eene in den
grond en joeg het andere op de vlucht.
Tromp, die uit de verte een oog op het schip had gehouden, kon
volstrekt niet begrijpen, dat de kapitein, die anders altijd zich zoo
bloohartig gedroeg, nu zoo woedend vocht; doch na het einde van
den strijd seinde de Admiraal al de kapiteins aan boord, en Jan stapte
ook op het gegeven teeken in zijne sloep en voer naar den Admiraal.
Toen Tromp Jan zag aankomen — dien hij heel goed kende, want hij
had nog het vorige jaar bij hem gevaren — riep hij vol verwondering:
„Wel, Jan, hoe kom jij hier?"
„Admiraal!" zei Jan, „mijn kapitein, welbekend, en zijn luitenant
zijn naar de haaien, met verlof, en het scheelde weinig, of ons schip
was gevlogen; maar kijk, toen was het mijne beurt; ik vatte het com-
mando op en heb den Engelschen klop gegeven, dat het hun zal
heugen. Nou ben ik kapitein van het schip, ik kom dus in die hoeda-
nigheid op uw sein aan boord, en ik hoop, met Gods hulpe en jouw
permissie, het schip in Tessel binnen te brengen."
„Kom aan, brave jongen," zei de Admiraal, „dat zal zoo gebeuren",
en Jan voer na gehouden krijgsraad weer naar zijn schip en bracht het
behouden in Tessel binnen.
Bij zijne aankomst in 't Vaderland gaf de Admiraal zulk een gun-
stig getuigenis van Jans dapperheid, dat deze van de admiraliteit een'
gouden ketting met eene medaille ontving, en bovendien nog twee-
honderd en vijftig gulden. — Nu was Jan er bovenop, kocht voor
een deel van zijn geld een partijtje leer, voor de rest een nieuw,
L. LEOHdi D, Leeshoek. Tweede Heeks, VII. Ie druk. B 3